1703756

AI-samenvatting

Dit document behandelt de voorwaarden waaronder een woning na verkrijging als hoofdverblijf kan worden aangemerkt volgens de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Het benadrukt dat de woning binnen 12 maanden na verkrijging als hoofdverblijf moet worden gebruikt om aan de voorwaarden te voldoen.

Kennisgroepstandpunt

Belastingdienst
VERTROUWELIJK Corporate Dienst
Belastingdienst/ Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst. nl
Contactpersoon
| | | e | | | O Kennisgroepstandpunt 21-052-30 Anders dan 5.1.2e
tijdelijk als hoofdverblijf
5.1.2e
5.1.26
Feiten
Met enige regelmaat wordt een in Nederland gelegen woning verkregen voor eigen
gebruik door iemand die op dat moment of na korte tijd gedurende langere of Po evar 5022
kortere tijd werkzaam is in het buitenland. Dit is op het moment van de verkrijging
bekend. De woning wordt daarom niet doorlopend gebruikt. Het gebruik vindt Versienummer
veelal alleen plaats in weekenden, vakanties etc. ;
Behandeld door
. . . . 5.1.2Hieronder een drietal situaties: °
1. Casus ‘Diplomaat’
Kopie aan
Chronologische tijdlijn 5.1.2e
Datum: Gebeurtenis:
Bijlage
67 Awr | 67 Awr
Uit hoorgesprek volgt:
67 Awr
VERTROUWELIJK Pagina 1 van 8
1703756 00097

170375667 Awr
Uit KG-21-053-13 volgt dat rechtspraak IH niet rechtstreeks van toepassing is op
vragen die rijzen in het kader van de heffing van de overdrachtsbelasting. Wel kan
daarbij wellicht aansluiting worden gezocht om in voorkomende gevallen tot een
standpunt te komen.
Indien aansluiting bij IH wordt gezocht, is de conclusie 8%. Zie ingevoegde
beschouwing behandelaar hieronder.
Uit de aangevoerde feiten en omstandigheden volgt echter wel dat het huis
standplaats/hoofdverblijf in Nederland is, eigen gebruik is en geen beleggersmotief.
Is dit een reden voor toepassing 14-2 WBR?
Beschouwing
Bij de beoordeling of sprake is van een ‘anders dan als tijdelijk hoofdverblijf’ wordt aangesloten bij
het begrip zoals dit wordt gehanteerd in de eigenwoningregeling (art. 3.111, lid 1, aanhef en
onderdeel a, Wet IB 2001). Het gaat hierbij om de vraag waar zich het middelpunt van de
persoonlijke en economische belangen van de verkrijger bevindt. De bewnslast rust hierbij op de
verkrijger X en Y. Indien door onvoorzienbare omstandigheden de verkrijger achteraf de woning
niet of slechts tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken, dient de verkrijger aannemelijk te maken
dat ten tijde van de verkrijging het 2%-tarief terecht is toegepast.
Hoofverblijf inkomstenbelasting
Wat betreft de eis dat een woning van de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter
beschikking moet staan, is de uitspraak van Rechtbank Breda Rechtbank Breda 2 september 2007,
nr. 05/04325, NTFR 2007/802), van belang. In deze zaak kwalificeerde een woning in Nederland
van een diplomaat niet als een eigen woning in de zin van art. 3.111, lid 1. De reden hiervoor was
dat zo de woning al een hoofdwerblijf was, dit slechts tijdelijk was, omdat de diplomaat in het
desbetreffende jaar immers uitgezenden was. Een beroep op art. 3.111, lid 6 ging ook niet op,
omdat de woning belastingplichtige niet ten minste één jaar als eigen woning in de zin van
art. 3.111, hd 1 ter beschikking heeft gestaan voorafgaande aan de eerste uitzending. In diezelfde
zin werd geoordeeld in de zaak voor Hof Den Bosch 18 mei 2018, nr. 17/00220 t/m 17/00222,
NTFR 2018/2024. In deze zaak was geen sprake van een eigen woning nu belanghebbende als
consulair medewerkster naar het buitenland was uitgezonden, waardoor de woning in Nederland
niet als haar centrale levensplaats diende, ondanks dat belanghebbende wel gedurende haar
verlofperiodes in de woning verbleef
Er geldt geen strikte minimumperiode dat de woning als hoofdverblijf moet worden gebruikt, maar
als uitgangspunt is gegeven dat in beginsel wordt voldaan aan het hoofdverblijfvereiste als de
verkrijger de woning na de verkrijging minimaal een half jaar daadwerkelijk als hoofdverblijf heeft
gebruikt.
2. Casus 67 Awr
Chronologische tijdlijn
Datum: Gebeurtenis:
67 Awr
00097

1703756Uit de aangevoerde feiten en omstandigheden volgt dat het huis
standplaats/hoofdverblijf in Nederland is, eigen gebruik is en geen beleggersmotief.
Is dit een reden voor toepassing 14-2 WBR? Zie beschouwing notaris hieronder.
9 juni 2021 door partijen getekend. Cliënt is vanwege zijn werkzaamheden tijdelijk
woonachtig in het buitenland. De woning is voor hem materieel gezien zijn hoofdverblijf —
hij heeft in zijn tijdelijke woonland slechts een huurwoning en deze Amsterdamse woning
zal zijn thuis zijn. Hij zal hier verblijven als hij in Nederland is, hij zal deze verbouwen en
inrichten voor een beoogd duurzaam hoofdverblijf. In de periode tussen oktober 2021 en
het moment dat hij volledig remigreert, zal cliënt de woning dus ook niet aan derden ter
beschikking stellen en evenmin ‘leeg staan’. Ik voeg hier voor de volledigheid aan toe dat
de woning tot aan remigratie niet volgens de fiscale definitie uit de Wet IB en de AWR als
hoofdverblijf kwalificeert — cliënt is dus ook geen fiscaal inwoner van Nederland. Het
verschil tussen de materiële betekenis van het begrip ‘hoofdverblijf’ en de formeel fiscale
betekenis in bepaalde wetten komt hier al tot uitdrukking.
Ons verzoek tot voorafstemming betreft het tarief van overdrachtsbelasting dat op deze
levering van toepassing is. Daartoe hebben we met name gekeken naar de Memorie van
Toelichting (MvT) bij de Wet Differentiatie Overdrachtsbelasting die op 1 januari 2021 in
werking is getreden.
De wet is het resultaat van de Motie Dik-Faber en Ronnes. Direct in het begin van de MvT,
in paragraaf |.1 staat het doel van de motie omschreven: “het verbeteren van de positie van
starters op de woningmarkt ten opzichte van beleggers, omdat beleggers starters vooral in
(grote) steden vaak te vlug af zijn”. Verderop in deze paragraaf (1.1.1, midden pagina 3)
staat bovendien de doelstelling van het kabinet beschreven : “Het kabinet zet er daarnaast
op in om de positie van starters te verstevigen van kopers, die niet primair tot doel hebben
de woning zelf te bewonen, zoals beleggers.”
Het primaire doel van zowel motie als kabinetsbeleid is dus om een negatieve financiële
prikkel te creëren voor beleggers; en dat begrip ‘belegger’ wordt vervolgens door het
00097

1703756kabinet verduidelijkt als ‘kopers, die niet primair tot doel hebben de woning zelf te
bewonen’.
Vervolgens is, zo lees ik, samen met Dialogic gezocht naar een haalbare invulling en
definiëring van de subjecten cq objecten voor de Wet Differentiatie Overdrachtsbelasting ;
naar een goede en haalbare manier om beleggers te duiden en definiëren voor deze wet .
Dit is niet gelukt, en daarom is in de wet uiteindelijk het hoofdverblijfcriterium terecht
gekomen. Maar mijns inziens — en met mij vele anderen — reflecteert dat criterium
geenszins het doel en de strekking van motie, beleid en wet.
Cliënt bestemt de te verwerven woning uitsluitend voor eigen gebruik . Dat maakt hem het
tegenovergestelde van een belegger. Toch wordt hij in deze wet gelijk behandeld als een
belegger, als degene voor wie het hoge tarief overdrachtsbelasting bedoeld is. En wordt hij
niet behandeld als een koper voor eigen gebruik, voor wie het lage tarief
overdrachtsbelasting bedoeld is. En de enige reden waarom dat gebeurt, is de onzekerheid
over het moment waarop client deze voor eigen gebruik bestemde woning daadwerkelijk
als fiscaal hoofdverblijf zal kunnen gaan bewonen. Mijns inziens klopt dat niet en is er voor
een dergelijke feitelijke variabele geen plaats in een normatieve definitie. Om het op een
andere manier te zeggen: de Wet Differentiatie Overdrachtsbelasting sluit aan bij de
definitie van het begrip ‘hoofdverblijf’ uit de Wet IB en de AWR, terwijl die definitie voor de
Wet Differentiatie Overdrachtsbelasting niet -passend is en daarmee tot een
ongerechtvaardigde uitkomst voor een groep woningkopers, zoals client, leidt.
Het feit dat er wellicht praktische haken en ogen zijn aan de uitvoerbaarheid van de juiste
en door alle partijen gewenste regel, en dat daarom wordt gekozen voor het gebruiken van
een begrip hoofdverblijf en haar niet-passende definitie en omvang, mag er niet toe leiden
dat een deel van de kopersgroep een reguliere behandeling — tevens een gelijke
behandeling ten opzichte van de kopers die de woning direct of na verbouwing uitsluitend
voor eigen gebruik bestempelen – wordt ontnomen.
3. Casus) 67 Awr
Chronologische tijdlijn
Datum: Gebeurtenis:
67 Awr
67 Awr
00097

170375667 Awr
67 Awr
67 Awr
67 Awr
67 Awr
67 Awr
Vraag
Hoe wordt de voorwaarde van artikel 14 lid 2 van de Wet op belastingen van
rechtsverkeer (hierna: WBR) dat de verkrijger de woning ‘na verkrijging anders
dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken’ ingevuld:
1. Wanneer woning leegstaat/alleen voor eigen gebruik in vakanties wordt
gebruikt en duidelijk is dat na een x-periode de woning anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf wordt gebruikt, kan dan worden voldaan aan de
voorwaarde?
00097

2. Wanneer de woning korte tijd door de verkrijger wordt bewoond,
vervolgens leegstaat, of alleen voor eigen gebruik in vakanties wordt
gebruikt, en duidelijk is dat na een x-periode de woning anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf wordt gebruikt, kan dan worden voldaan aan de
voorwaarde?
3. Is voor voorstaande beantwoording nodig dat de x-periode een vooraf
vaststaande tijdsperiode is?
4. Speelt hier het niet-beleggersmotief een rol?
Antwoord
1. Wanneer woning na de verkrijging vooralsnog leegstaat, of alleen voor
eigen gebruik in vakanties wordt gebruikt (dus niet door derden wordt
gebruikt), maar wel aannemelijk is dat de woning na een bepaalde
periode, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf wordt gebruikt gaat worden,
zal alleen aan de hoofdverblijfvoorwaarde worden voldaan, indien de
woning ten tijde van de verkrijging bestemd is binnen 12 maanden te
worden gebruikt als hoofdverblijf van de verkrijger (en/of zijn of haar
huisgenoten) en binnen deze termijn ook daadwerkelijk daarvoor wordt
gebruikt.
2. Wanneer een woning na de verkrijging eerst slechts korte tijd door de
verkrijger wordt bewoond, waarna de verkrijger zijn of haar hoofdverblijf
naar elders overbrengt en daardoor niet voldoet aan de hoofdverblijf-eis,
doorgaans bij een eerste verblijf korter dan zes maanden, en de woning
na deze korte bewoningsperiode leegstaat of alleen voor eigen gebruik in
vakanties wordt gebruikt, wordt niet voldaan aan de voorwaarde, ervan
uitgaande dat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden (zie het
voorbeeld in de Memorie van Toelichting (MvT), hieronder in de
beschouwing).
3. Nee, het is voor vraag 2 niet nodig dat de 12-maandsperiode een vooraf
vaststaande tijdsperiode is.
4. Nee, het niet-beleggersmotief speelt geen een rol. Het gaat om het
feitelijk al dan niet gebruik als hoofdverblijf (afgezien van onvoorziene
omstandigheden).
Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)
In de MvT, 35 576, nr. 3, p. 21, wordt opgemerkt:
“Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf» wordt aangesloten bij het
begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan» in de
eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Wetinkomstenbelasting 2001. Hierbij een duurzaam eigen gebruik van de woning
die de verkrijger overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking
staat.20 Het begrip «hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale
levensplaats» (Hof Amsterdam 17 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1972).
1703756 00097

1703756Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (hierna: AWR).
Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de
persoonlijke en economische belangen van de verkrijger bevindt.
De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de persoonlijke
en economische belangen van de verkrijger zich na de verkrijging van de woning
op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de verkrijger.
Voor een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden. Dit
betekent dat vakantiehuizen, pied-a-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen
dat op naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden aangemerkt.
In de Nota naar aanleiding van het verslag (35 576, nr. 6, par. 2.2) p. 21, wordt
voorts wat betreft de centrale levensplaats opgemerkt:
“Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de school of opvang waar de
kinderen naartoe gaan en speelmaatjes hebben, waar de sportclub is, waar de
persoon lid is van zijn geloofsgemeenschap of sportvereniging.”
In de MvT, 35 576, nr. 3, p. 12, wordt opgemerkt:
“De inspecteur beoordeelt achteraf, maar binnen de gebruikelijke
naheffingstermijnen, of de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk
als hoofdverblijf is gaan gebruiken. Op basis van gegevens van het Kadaster woont
96% van de woningkopers die voornemens is de woning als hoofdverblijf te gaan
gebruiken na twaalf maanden in de woning. Na deze twaalf maanden kan de
inspecteur in de meeste gevallen een goede beoordeling maken of aan de
voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief of de startersvrijstelling
wordt voldaan. De beoordeling zal plaatsvinden door een onderzoek naar de feiten
en omstandigheden. Hiervoor zijn verschillende objectieve gegevens als eerste
aanknopingspunt beschikbaar. Voorbeelden daarvan zijn de inschrijving door de
verkrijger op het adres van de aangekochte woning in de Basisregistratie Personen
(hierna: BRP), het aanmerken van de aangekochte woning als eigen woning in de
zin van de eigenwoningregeling in de aangifte inkomstenbelasting, het woningbezit
van de verkrijger in het Kadaster en de voorwaarden waaronder de verkrijger een
geldlening is aangegaan bij een bank. Ook zal het afgeven van meerdere
schriftelijke verklaringen bij verkrijgingen door dezelfde natuurlijke persoon binnen
een relatief korte tijd, bijvoorbeeld enkele maanden, aanleiding kunnen zijn voor de
inspecteur om nader onderzoek te doen. Bij natuurlijke personen die na de
overdracht de woning minimaal een half jaar daadwerkelijk als hoofdverblijf
hebben gebruikt, zal het verlaagde tarief of de startersvrijstelling in beginsel van
toepassing zijn. Dit neemt niet weg dat in bepaalde evidente misbruiksituaties de
inspecteur de mogelijkheid moet hebben om na te heffen.
Voorbeeld
Y (30 jaar) koopt samen met Z (34 jaar) een woning voor een bedrag€ 250.000.
Beiden verkrijgen op 1 oktober 2021 de onverdeelde helft van de woning en
verklaren duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in een schriftelijke verklaring dat
zij deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken en nooit eerder
00097

de vrijstelling hebben toegepast. In deze situatie zijn de verkrijgingen van Y en Z
met een waarde van elk € 125.000 vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Op 1
november 2021 krijgt Z onverwachts een baan aangeboden in het buitenland voor
drie jaar, welke baan Z aanvaardt. Y en Z vertrekken samen naar het buitenland
en houden de verkregen woning aan en verhuren deze gedurende de tijd dat zij in
het buitenland zijn. Door een onvoorziene gebeurtenis na het moment van
verkrijging van de woning konden Y en Z de woning niet of slechts tijdelijk als
hoofdverblijf gebruiken. De vrijstelling overdrachtsbelasting zal in dat geval niet
worden teruggenomen. Wel kan het zijn dat de inspecteur zal vragen aannemelijk
te maken dat de verklaring juist is afgegeven, omdat mogelijk niet uit objectieve
gegevens kan worden waargenomen dat Yen Z de woning daadwerkelijk zijn gaan
gebruiken als hoofdverblijf. Gegeven het aanvaarden van de nieuwe baan in het
buitenland, welk aanbod niet bestond op het moment van de verkrijging, zullen Y
en Z dit voldoende aannemelijk kunnen maken.”
Uitgangspunt voor het beantwoorden van de vragen is derhalve op basis van de
MvT:
– Het begrip «hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale levensplaats»
(Hof Amsterdam 17 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1972).
– Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (hierna: AWR). Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag
waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de
verkrijger bevindt.
De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de persoonlijke
en economische belangen van de verkrijger zich na de verkrijging van de woning
op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de verkrijger.
Voor een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden. Dit
betekent dat vakantiehuizen, pied-a-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen
dat op naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden
aangemerkt.
Hieruit volgt de conclusie:
– de verkrijger die ten tijde van de verkrijging in het buitenland een centrale
levensplaats heeft en de intentie heeft deze te behouden, komt niet in
aanmerking voor het 2%-tarief of de startersvrijstelling.
– de verkrijger die ten tijde van de verkrijging in het buitenland een centrale
levensplaats heeft en de intentie heeft deze op te geven door de verkregen
woning als hoofdverblijf te gaan gebruiken, komt wel in aanmerking voor het 2%-
tarief of de startersvrijstelling, mits hij of zij aannemelijk maakt dat aan het
gebruik van het buitenlandse hoofdverblijf binnen redelijke termijn een einde
komt door het gaan gebruiken van de verkregen woning en dit ook daadwerkelijk
geschiedt. Een termijn van maximaal 12 maanden wordt aanvaardbaar geacht om
nog te kunnen spreken van een redelijke termijn. Binnen die 12 maanden dient de
woning daadwerkelijk als hoofdverblijf in gebruik te zijn genomen.
1703756 00097

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: