1703754

AI-samenvatting

In dit kennisgroepstandpunt wordt behandeld of het verlaagde tarief voor overdrachtsbelasting van toepassing is op een woning die tijdelijk als hoofdverblijf zal worden gebruikt. De conclusie is dat dit niet het geval is wanneer de intentie bestaat om de woning slechts tijdelijk te gebruiken.

Kennisgroepstandpunt

1703754Belastingdienst
VERTROUWELIJK
Belastingdienst/
5.1.2e
memoKennisgroepstandpunt 21-052-28 anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf
Casus
Een woning wordt aangekocht om daarin voor een periode van 7-10 maanden te
gaan wonen tot een verbouwing van een reeds eerder verkregen woning is
afgerond. De woning die wordt verbouwd is aangemerkt als woning die anders als
tijdelijk als hoofdverblijf gaat worden gebruikt. De eerst genoemde woning
(waarin tijdens de verbouwing wordt gewoond) zal worden verkocht, na
verhuizing naar het nieuwe hoofdverblijf.
Vraag
Is op de verkrijging van de woning, waarvan de intentie bestaat die tijdelijk, maar
langer dan voor een periode van 6 maanden als hoofdverblijf te gebruiken het
verlaagde tarief van toepassing?
Standpunt
Nee, op een verkregen woning, waarvan op het tijdstip van de verkrijging de
verkrijger slechts de intentie heeft die tijdelijk (niet duurzaam) als hoofdverblijf te
gaan gebruiken, is het verlaagde tarief niet van toepassing.
Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)
Wettelijke bepalingen en beleidsbesluit:
Artikel 14 lid 2
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging door een
natuurlijk persoon van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen, of van rechten
van
lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten
betrekking hebben op een woning, als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan
de
verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring.
Artikel 15a lid 5 WBR
De verkrijger, die de verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft afgelegd en die aannemelijk
maakt dat hij door onvoorziene omstandigheden, die zich hebben voorgedaan na het tijdstip
van de verkrijging, redelijkerwijs niet in staat is geweest de woning anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf te gaan gebruiken, wordt geacht die woning anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf te hebben gebruikt
Beleidsbesluit 29 juni 2021, nr 2021-121034, onderdeel 2 (voor zover van
belang)
Als een verkrijger de woning, als direct gevolg van een onvoorziene omstandigheid die zich
heeft voorgedaan ná het sluiten van de koopovereenkomst, maar vóór het tijdstip van de
verkrijging, niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf in gebruik zal nemen, keur ik voor de
VERTROUWELIJKCorporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst. nl
Contactpersoon
9.1.2¢
5.1.2e
9.1.2e
Datum
28 februari 2022
Versienummer
1.0
Behandeld door
5.1.2¢e
5.1.2e
Bijlage
Pagina 1 van 5
00099

1703754toepassing van de startersvrijstelling en het 2%-tarief onder voorwaarden goed dat de
verkrijger geacht wordt de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te
hebben gebruikt.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden:
Aan de overige vereisten voor de toepassing van het 2%-tarief of de startersvrijstelling
wordt voldaan, waaronder de verklaring overeenkomstig artikel 15a WBR. Dat de verkrijger
de woning, anders dan hij verklaart, na de verkrijging niet anders dan tijdelijk, als
hoofdverblijf gaat gebruiken, staat niet in de weg aan deze goedkeuring. Bij een beroep op
deze goedkeuring mag de zin in de verklaring ‘Ik verklaar stellig en zonder voorbehoud dat
ik deze woning na verkrijging, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ga gebruiken
(zelfbewoning).’ gelezen worden als ‘Ik verklaar stellig en zonder voorbehoud dat ik vanaf de
datum van ondertekening van de koopovereenkomst tot het moment van de onvoorziene
omstandigheid het voornemen heb gehad deze woning na verkrijging anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf te gaan gebruiken (zelfbewoning).’ Ingeval de onvoorziene omstandigheid het
overlijden van de koper is, mag deze zin in de verklaring door zijn rechtsopvolger gelezen
worden als ‘Ik verklaar naar eer en geweten dat de koper vanaf de datum van
ondertekening van de koopovereenkomst tot het moment van de onvoorziene omstandigheid
hat vaarnemen heeft neharl deze woning na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf
te gaan gebruiken (zelfbewoning).’
De goedkeuring in het besluit is per 1 januari 2022 opgenomen in de wet:
Artikel 15a lid 4 WBR (vanaf 1-1-2022)
De verkrijger die aannemelijk maakt dat hij of zijn rechtsvoorganger krachtens erfrecht door
onvoorziene omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor het tijdstip van de
verkrijging maar nadat de aan die verkrijging ten grondslag liggende koopovereenkomst tot
stand is gekomen, redelijkerwijs niet in staat is de woning anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf te gaan gebruiken en dit voorafgaand aan de verkrijging duidelijk en stellig
verklaart in een schriftelijke verklaring, wordt geacht die woning anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf te hebben gebruikt. De schriftelijke verklaring vervangt de schriftelijke
verklaring, bedoeld in artikel 14, tweede lid, of artikel 15, eerste lid, onderdeel p, onder 3°.
Artikel 3.111 lid 1 Wet IB
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning:
een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld
in artikel 1, onder |, van de Wet op de huurtoeslag, of een gedeelte van een gebouw, een
schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de
belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
Voor het verlaagde tarief (van artikel 14 lid 2 WBR) komt uitsluitend in
aanmerking de natuurlijk persoon die de verkregen woning na de verkrijging
anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dat op het tijdstip van de
verkrijging verklaart.
Onvoorziene omstandigheden
Op de voorwaarde dat de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf gebruikt moet worden, is een uitzondering gemaakt in artikel 15a, lid
5 WBR. Dit artikel biedt de mogelijkheid rekening te houden met onvoorziene
omstandigheden, die zich hebben voorgedaan na het tijdstip van de verkrijging.
Als dergelijke onvoorziene omstandigheden ertoe hebben geleid dat een verkrijger
redelijkerwijs niet meer in staat is de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf
te gaan gebruiken en dit aannemelijk wordt gemaakt, wordt de verkrijger geacht
de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te hebben gebruikt.
In het beleidsbesluit van 29 juni 2021 (nr. 2021-121034) is in onderdeel 2 het
toepassingsbereik van het begrip onvoorziene omstandigheden verbreed. Onder
voorwaarden is goedgekeurd dat ook rekening mag worden gehouden met
onvoorziene omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná het sluiten van de
koopovereenkomst, maar vóór het tijdstip van de verkrijging.
00099

1703754Per 1 januari 2022 is deze uitbreiding van onvoorziene omstandigheden
opgenomen in artikel 15.a lid 4 WBR.
In de voorliggende casus staat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst
vast dat de woning voor een periode van slechts 7-10 maanden als hoofdverblijf
gebruikt gaat worden. Van onvoorziene omstandigheden voor dit tijdelijke gebruik
als hoofdverblijf is dus sowieso geen sprake.
anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken
Hierna zijn een aantal passages uit de wetsgeschiedenis vermeld om te
achterhalen wat de wetgever heeft bedoeld met het begrip anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf gaat gebruiken. In de bijlage bij dit kennisgroepstandpunt zijn de
volledige passages opgenomen. Tevens zijn in de bijlage aantekeningen en
jurisprudentie opgenomen uit de Vakstudie Inkomstenbelasting bij artikel 3.111
Wet IB (de eigenwoningregeling).
Een koppeling van een fiscale faciliteit aan het gebruik van een woning anders
dan tijdelijk als hoofdverblijf is niet nieuw. Ook de hypotheekrenteaftrek
eigen woning in de inkomstenbelasting is afhankelijk van die voorwaarde.
Deze voorwaarde heeft tot gevolg dat een natuurlijk persoon, die de
woning niet of slechts tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken, wordt
belast tegen het algemene tarief van 8% (vanaf 1 januari 2021).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 576, nr. 3 11
Bij natuurlijke personen die na de overdracht de woning minimaal een
half jaar daadwerkelijk als hoofdverblijf hebben gebruikt, zal het verlaagde
tarief of de startersvrijstelling in beginsel van toepassing zijn. Dit neemt
niet weg dat in bepaalde evidente misbruiksituaties de inspecteur de
mogelijkheid moet hebben om na te heffen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 576, nr. 3 blz 12
Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijfs wordt aangesloten
bij het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan»
in de eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a,
van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij gaat het om een duurzaam
eigen gebruik van de woning die de verkrijger overeenkomstig de
bestemming als woning ter beschikking staat.
Voor een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden.
Dit betekent dat vakantiehuizen, pied-a-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen dat
op naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden
aangemerkt.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 576, nr. 3 21
De leden van de fractie van de VVD vragen wat precies wordt bedoeld met
«na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken» in
relatie tot de vrijstelling of het tarief van 2%. Het begrip «hoofdverblijf» is
synoniem met het begrip «centrale levensplaats». Het gaat daarbij om het
antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en
economische belangen van een persoon zich bevindt.
De woning moet het middelpunt van de
persoonlijke en economische belangen van de koper zijn. Daarnaast moet
de beoogde bewoning een bepaalde duurzaamheid bevatten. Hierop ziet
de bewoording «anders dan tijdelijk»,
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 576, nr. 6 20
De leden van de fractie van
00099

1703754SOPLUS vragen of het klopt dat uit de controlepraktijk op de hoofdverblijfverklaring
automatisch volgt dat de koper de woning slechts tot 12
maanden na het tekenen van de koopovereenkomst als hoofdverblijf hoeft
te gebruiken om niet als belegger te worden aangemerkt. Er geldt geen
strikte minimumtijd dat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf
moet worden gebruikt na de verkrijging van de woning. Of de koper de
woning daadwerkelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken, zal worden
beoordeeld naar de feiten en omstandigheden. De beoordeling of in
specifieke gevallen aan het hoofdverblijfcriterium is voldaan is aan de
inspecteur. In de memorie van toelichting is als voorbeeld opgenomen dat
bij natuurlijke personen, die na de overdracht de woning minimaal een
half jaar daadwerkelijk als hoofdverblijf hebben gebruikt, geen naheffing
van overdrachtsbelasting volgt
Dit neemt niet weg dat in bepaalde situaties niet aan het
hoofdverblijfcriterium wordt voldaan, ondanks dat een verkrijger het een
half jaar als hoofdverblijf heeft gebruikt. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht
worden aan een situatie waarbij de woning na 6 maanden en 1 dag wordt
verhuurd en de huurovereenkomst door de belegger aansluitend op de
verkrijging reeds is gesloten. Ook kan gedacht worden aan andere vormen
van oneigenlijk gebruik, zoals situaties waarin een persoon zich
gedurende die periode wel inschrijft op het adres van de verkregen
woning maar niet de intentie heeft om er te gaan wonen of een belegger
die gedurende een half jaar in een woning gaat wonen enkel om gebruik
te kunnen maken van het verlaagde tarief (of zelfs eenmalig van de
startersvrijstelling) en dit mogelijk ook herhaalt bij andere woningen.
Daartegenover staat dat een gebruik als hoofdverblijf korter dan 6
maanden in principe leidt tot een naheffing.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 576, nr. 6 21+22
De leden van de fractie van D66 vragen of bij de beoordeling of een
woning al dan niet tijdelijk als hoofdverblijf dient het toetsingskader kan
worden toegepast dat wordt gehanteerd voor de hypotheekrenteaftrek.
Binnen de eigenwoningregeling geldt als uitgangspunt dat een woning
kan kwalificeren als eigen woning als deze anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf ter beschikking staat. Hiermee wordt tot uitdrukking
gebracht dat de woning bedoeld moet zijn om duurzaam te dienen als
hoofdverblijf voor de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn
huishouden. Eenzelfde intentie tot het duurzaam dienen als hoofdverblijf
voor de verkrijger van een woning is vanaf 2021 aan de orde binnen de
overdrachtsbelasting. Daarbij dient in beginsel ook feitelijk gevolg te
worden gegeven aan die intentie door de woning daadwerkelijk anders
dan tijdelijk te gaan bewonen, voor in beginsel een minimale periode van
zes maanden. Een dergelijke minimale duur aan het feitelijk anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf bewonen is binnen de eigenwoningregeling als
zodanig niet van toepassing. Zo zijn er bepaalde fictiebepalingen op basis
waarvan een woning als eigen woning kan kwalificeren zonder dat deze
feitelijk als hoofdverblijf wordt bewoond. Bij het wel feitelijk bewonen kan
een kortere duur binnen de eigenwoningregeling ook kwalificeren, waarbij
het in aanmerking nemen als eigen woning dan ook voor die kortere duur
geldt en een tijdsevenredige toepassing van bijvoorbeeld het in
aanmerking nemen van renteaftrek voor de eigen woning aan de orde is.
Het wezenlijk verschillende karakter van de heffing van overdrachtsbelasting
en inkomstenbelasting brengt met zich dat een woning die als
eigen woning in de eigenwoningregeling kwalificeert niet per definitie ook
als verkrijging van een woning die als hoofdverblijf gaat dienen voor de
overdrachtsbelasting kwalificeert. Wel kan toepassing van de eigenwoningregeling
als een van de indicatoren dienen voor de inspecteur om
vast te stellen of de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 576, nr. 6 29+30
Uit bovenstaande passages zijn de volgende conclusies te trekken.
Met het begrip anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is aangesloten bij het begrip
anders dan tijdelijk ter beschikking staan in de eigenwoningregeling van artikel
00099

17037543.111 Wet IB 2001. Het wezenlijke verschillende karakter van de heffing van
overdrachtsbelasting en inkomstenbelasting brengt met zich mee dat de woning
die kwalificeert als eigen woning in de eigenwoningregeling niet per definitie ook
kwalificeert als verkrijging van een woning die als hoofdverblijf gaat dienen voor
de overdrachtsbelasting.
Het gaat om duurzaam eigen gebruik van de woning die de verkrijger
overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat.
De verkrijger moet op het moment van de verkrijging de intentie hebben om de
woning duurzaam te laten dienen als hoofdverblijf. Aan die intentie dient feitelijk
gevolg te worden gegeven door de woning anders dan tijdelijk te gaan bewonen,
voor in beginsel een minimale periode van zes maanden.
In de voorliggende casus ontbreekt op het moment van de verkrijging die intentie.
Het is de bedoeling dat de woning slechts voor een periode van 7-10 maanden als
hoofdverblijf gaat fungeren. Hoewel dat langer is 6 maanden, is het ontbreken van
de intentie van duurzaam gebruik doorslaggevend.
Belanghebbende heeft reeds eerder een woning verkregen die (na verbouwing)
bestemd is voor duurzame zelfbewoning. De andere tijdelijke woning is dan een_
tweede woning die niet bestemd is voor duurzame zelfbewoning. Het is niet
mogelijk om op hetzelfde moment twee woningen in eigendom te hebben die
beiden zijn bestemd voor duurzame zelfbewoning, zo blijkt uit de PG.
De in geschil zijnde woning zal niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt
gaan worden. Het verlaagde tarief is dus niet van toepassing.
00099

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: