AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt bevestigd dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing is op de verkrijging van zowel de economische als de juridische eigendom van een woning door A na de scheiding van A en B. Dit is gebaseerd op de voorwaarden van de wet en eerdere jurisprudentie.
Kennisgroepstandpunt
Belastingdienst
VERTROUWELIJK
Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Brieven & Beleidsbesluiten
5.1.2e
Memo Kennisgroepstandpunt 21-052-19 Toepassing 15,
lid 1, letter g, WBR
Aanleiding/feiten
– AenB (samenwoners) verkrijgen in er Aw notariéle akte samen
krachtens koop een onroerende zaak (woning) (A: 50%- B: 50%).
– In 97 Avr|gaan zij uit elkaar.
– Het huts blijft juridisch voorlopig op beider naam staan
67 Awr
67 Awr) maar partijen komen overeen dat A, die in het huis blijft wonen,
vanaf dat moment wel als enige alle lusten, lasten en risico’s die kleven
aan de woning voor zijn rekening neemt (waardeverandering, tenietgaan
etc.).
– Zodra het ontslag van B als hoofdelijk medeschuldenaar zal zijn verleend,
zal de woning juridisch op naam van A worden gesteld.67 Awr
Kortom:
A en B blijven vooralsnog elk in juridische zin voor 50% mede-eigenaar van de
woning, maar de economische eigendom van de woning behoort vanaf dat
moment uitsluitend (100%) toe aan A.
– In kt het A om bij een andere bank een nieuwe hypotheek af te
sluiten (zonder hoofdelijke aansprakelijkheid van B).
– Daarna wordt de woning aan A juridisch toegedeeld.
Vraag
1. Is artikel 15-1-g WBR 67 Awr Van toepassing op de verkrijging door A van de
economische eigendom van de helft van B?
2. Is artikel 15-1-g WBR| 67 Awr van toepassing op de verkrijging door A van de
juridische eigendom van de helft van B?
Antwoord
1. Ja, op de verkrijging van de economische eigendom van de helft van de oz door
de vrijstelling van 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing (A verkrijgt
de economische eigendom krachtens verdeling van de -economische eigendom
van de- onroerende zaak. Aan alle voorwaarden wordt voldaan).
2. Ja, er wordt voldaan aan de voorwaarden van par. 2.3 ‘Verdeling na beëindiging
van de samenwoning’ van het besluit van 21 juni 2013, nr. BLKB2013/642M,
Stert. 2013, 17978 (de verdeling vloeit immers voort uit de tussen Aen B
VERTROUWELIJKCorporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl
Contactpersoon
5.1.2e
5.1.2e
Datum
11 december 2021
Versienummer
1.0
Behandeld door
5.1.2e
Kopie aan
5.1.2e
Bijlage
Pagina 1 van 4
00095
gemaakte afspraken over de financiële afwikkeling van de scheiding). Daarom is
op de verkrijging van de juridische eigendom van de helft van de onroerende
zaak door A 67 Aur He vrijstelling van 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing.
Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)
HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888 had betrekking op de volgende casus:
A en B zijn samenwoners. A verkrijgt als enige een onroerende zaak, volgens
partijen voor gezamenlijke rekening en risico van A en B, zodat zij van stond af aan
samen in economische zin, elk voor 50%, tot de onroerende zaak (woning)
gerechtigd zijn.
Na verloop van tijd wordt de woning toegedeeld aan B (juridisch en economisch). B
verkrijgt daardoor de juridische eigendom van de onroerende zaak (100%) en de
economische eigendom van de helft van de onroerende zaak (50%).
De HR acht plaats voor toepassing van 15, lid 1, letter g, WBR, zowel wat betreft de
verkrijging van 100% juridische eigendom als wat betreft 50% van de economische
eigendom, indien komt vast te staan dat beide partijen ten tijde van de juridische
verkrijging door A economisch tot de onroerende zaak gerechtigd werden. Het feit
dat A de juridische eigendom verwerft en Bte zelfder tijd de economische
eigendom van de helft van de onroerende zaak is geen beletsel voor de conclusie
dat A en B de economische eigendom van de gehele onroerende zaak gezamenlijk
hebben verkregen.
Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888
4,2,2 Blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 15, lid 1, letter g, WBR
is deze bepaling ingevoerd om te voorkomen dat samenwoners die
gezamenlijk en voor gelijke delen — later gewijzigd in een verhouding van
ten minste 40 procent en ten hoogste 60 procent — een onroerend goed
hebben verkregen, bij latere verdeling daarvan slechter af zijn dan in
gemeenschap van goederen gehuwden, die immers bij echtscheiding een
beroep kunnen doen op artikel 3, onderdeel b, WBR.1
4.3.2 (…) Aan de hiervoor in 4.2.2 weergegeven bedoeling van de wetgever
wordt dan recht gedaan door artikel 15, lid 1, letter g, WBR zo uit te
leggen dat de omstandigheid dat de woning juridisch eigendom was
van alleen de partner niet aan toepassing van die vrijstelling in de weg
kan staan. De situatie van belanghebbende en de partner is dan immers
vergelijkbaar met die van in gemeenschap van goederen gehuwden
met een woning die juridisch op naam van een van de partners staat,
en waarbij de toedeling aan de andere partner niet tot heffing van
overdrachtsbelasting leidt.
4.4.2 Indien na verwijzing zou komen vast te staan dat belanghebbende niet
bij de levering van de woning aan de partner voor 40 procent economisch
gerechtigd is geworden tot de woning maar op een later tijdstip, moet
het verwijzingshof onderzoeken of dat, gezien het bepaalde in artikel 9,
lid 4, WBR, aanleiding is voor een vermindering van de
1703747 00095
1703747overdrachtsbelasting die verschuldigd is bij de levering van die woning
bali
Toelichting op de antwoorden
1. Ja, op de verkrijging van de economische eigendom van de helft van de
onroerende zaak door A) 67 Awr |is de vrijstelling van 15, lid 1, letter, g WBR van
toepassing (A verkrijgt de economische eigendom krachtens verdeling van de –
economische eigendom van de- onroerende zaak. Aan alle voorwaarden wordt
voldaan).
Toelichting:
Als juridische mede-eigenaren (50-50) zijn A en B — in de benadering van de Hoge
Raad – ook in economische zin mede-eigenaren van de woning (50-50) binnen de
bandbreedte (40-60). Het komt ons althans niet logisch voor dat die economische
gemeenschap enkel wordt onderkend als een van de partners de volledige
juridische eigendom heeft (100%), zoals in het arrest aan de orde was.
Wel merken wij op dat, als de samenwoners beiden juridisch eigenaar zijn, wel wat
voorstellingsvermogen nodig is om te zien dat naast de juridische gemeenschap
(50-50) ook nog sprake is van een (aparte) gemeenschap van de economische
eigendom (50-50).
Bij de uitleg die wij aan het arrest geven, te weten dat naast de juridische
gemeenschap ook steeds een gemeenschap van de economische eigendom bestaat,
zijn er dus steeds twee gemeenschappen (tenzij de economische eigendom aan
derden toebehoort). Door de tussen A en B in het kader van de scheiding gesloten
overeenkomst eindigt de economische gemeenschap wat B betreft en A is vanaf dat
moment als enige (in economische zin} tot de woning gerechtigd. Deze
overeenkomst bevat alle elementen die artikel 3:182 Burgerlijk Wetboek (hierna:
BW) noemt en is daarom aan te merken als verdeling van de onroerende zaak (in dit
geval heeft A ook —geclausuleerd door het eindigen van de hoofdelijke
aansprakelijkheid van B- recht op levering).
3:182 BW
Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle
deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens
welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting
van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij
strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld
aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als
bedoeld in de vorige zin.
In de benadering dat er bij gemeenschappelijke juridische eigendom geen aparte
gemeenschap van de economische eigendom kan worden onderkend is geen sprake
van een verdeling. Datzelfde geldt als men weliswaar twee gemeenschappen
onderkent, maar meent dat die toch op een bepaalde manier met elkaar zijn
verbonden zodat enkel sprake is van een verdeling als zowel de juridische als de
economische gemeenschap wordt verdeeld.
00095
17037472. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het besluit van 21 juni 2013, nr.
BLKB2013/642M, Stcrt. 2013, 17978 (de verdeling vloeit immers voort uit de
tussen A en B gemaakte afspraken over de financiële afwikkeling van de
scheiding). Daarom is op de verkrijging van de juridische eigendom van de helftvan de onroerende zaak door A eT Aw He vrijstelling van 15, lid 1, letter g,
WBR van toepassing.
Toelichting
Aan alle vereisten voor toepassing van artikel 15, lid 1, letter g, WBR wordt voldaan:
gezamenlijke verkrijging binnen de bandbreedte, verdeling, besluit.
00095
Geef een reactie