1703747

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt bevestigd dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing is op de verkrijging van zowel de economische als de juridische eigendom van een woning door A na de scheiding van A en B. Dit is gebaseerd op de voorwaarden van de wet en eerdere jurisprudentie.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Brieven & Beleidsbesluiten**
**5.1.2e**

**Memo Kennisgroepstandpunt 21-052-19 Toepassing 15, lid 1, letter g, WBR**

**Aanleiding/feiten**
– A en B (samenwoners) verkrijgen in een notariële akte samen krachtens koop een onroerende zaak (woning) (A: 50%- B: 50%).
– In 97 Avr gaan zij uit elkaar.
– Het huis blijft juridisch voorlopig op beider naam staan [GEANONIMISEERD] maar partijen komen overeen dat A, die in het huis blijft wonen, vanaf dat moment wel als enige alle lusten, lasten en risico’s die kleven aan de woning voor zijn rekening neemt (waardeverandering, tenietgaan etc.).
– Zodra het ontslag van B als hoofdelijk medeschuldenaar zal zijn verleend, zal de woning juridisch op naam van A worden gesteld. [GEANONIMISEERD]

Kortom:
A en B blijven vooralsnog elk in juridische zin voor 50% mede-eigenaar van de woning, maar de economische eigendom van de woning behoort vanaf dat moment uitsluitend (100%) toe aan A.
– In het kader daarvan kan A bij een andere bank een nieuwe hypotheek afsluiten (zonder hoofdelijke aansprakelijkheid van B).
– Daarna wordt de woning aan A juridisch toegedeeld.

**Vraag**
1. Is artikel 15-1-g WBR [GEANONIMISEERD] van toepassing op de verkrijging door A van de economische eigendom van de helft van B?
2. Is artikel 15-1-g WBR [GEANONIMISEERD] van toepassing op de verkrijging door A van de juridische eigendom van de helft van B?

**Antwoord**
1. Ja, op de verkrijging van de economische eigendom van de helft van de onroerende zaak door A is de vrijstelling van 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing (A verkrijgt de economische eigendom krachtens verdeling van de economische eigendom van de onroerende zaak. Aan alle voorwaarden wordt voldaan).
2. Ja, er wordt voldaan aan de voorwaarden van par. 2.3 ‘Verdeling na beëindiging van de samenwoning’ van het besluit van 21 juni 2013, nr. BLKB2013/642M, Stcrt. 2013, 17978 (de verdeling vloeit immers voort uit de tussen A en B gemaakte afspraken over de financiële afwikkeling van de scheiding). Daarom is op de verkrijging van de juridische eigendom van de helft van de onroerende zaak door A de vrijstelling van 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing.

**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888 had betrekking op de volgende casus:
A en B zijn samenwoners. A verkrijgt als enige een onroerende zaak, volgens partijen voor gezamenlijke rekening en risico van A en B, zodat zij van staat af aan samen in economische zin, elk voor 50%, tot de onroerende zaak (woning) gerechtigd zijn.
Na verloop van tijd wordt de woning toegedeeld aan B (juridisch en economisch). B verkrijgt daardoor de juridische eigendom van de onroerende zaak (100%) en de economische eigendom van de helft van de onroerende zaak (50%).
De HR acht plaats voor toepassing van 15, lid 1, letter g, WBR, zowel wat betreft de verkrijging van 100% juridische eigendom als wat betreft 50% van de economische eigendom, indien komt vast te staan dat beide partijen ten tijde van de juridische verkrijging door A economisch tot de onroerende zaak gerechtigd werden. Het feit dat A de juridische eigendom verwerft en B tezelfdertijd de economische eigendom van de helft van de onroerende zaak is geen beletsel voor de conclusie dat A en B de economische eigendom van de gehele onroerende zaak gezamenlijk hebben verkregen.

Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888
Blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 15, lid 1, letter g, WBR is deze bepaling ingevoerd om te voorkomen dat samenwoners die gezamenlijk en voor gelijke delen — later gewijzigd in een verhouding van ten minste 40 procent en ten hoogste 60 procent — een onroerend goed hebben verkregen, bij latere verdeling daarvan slechter af zijn dan in gemeenschap van goederen gehuwden, die immers bij echtscheiding een beroep kunnen doen op artikel 3, onderdeel b, WBR.

(…) Aan de hiervoor in 4.2.2 weergegeven bedoeling van de wetgever wordt dan recht gedaan door artikel 15, lid 1, letter g, WBR zo uit te leggen dat de omstandigheid dat de woning juridisch eigendom was van alleen de partner niet aan toepassing van die vrijstelling in de weg kan staan. De situatie van belanghebbende en de partner is dan immers vergelijkbaar met die van in gemeenschap van goederen gehuwden met een woning die juridisch op naam van een van de partners staat, en waarbij de toedeling aan de andere partner niet tot heffing van overdrachtsbelasting leidt.

Indien na verwijzing zou komen vast te staan dat belanghebbende niet bij de levering van de woning aan de partner voor 40 procent economisch gerechtigd is geworden tot de woning maar op een later tijdstip, moet het verwijzingshof onderzoeken of dat, gezien het bepaalde in artikel 9, lid 4, WBR, aanleiding is voor een vermindering van de overdrachtsbelasting die verschuldigd is bij de levering van die woning.

**Toelichting op de antwoorden**
1. Ja, op de verkrijging van de economische eigendom van de helft van de onroerende zaak door A is de vrijstelling van 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing (A verkrijgt de economische eigendom krachtens verdeling van de economische eigendom van de onroerende zaak. Aan alle voorwaarden wordt voldaan).

**Toelichting:**
Als juridische mede-eigenaren (50-50) zijn A en B — in de benadering van de Hoge Raad – ook in economische zin mede-eigenaren van de woning (50-50) binnen de bandbreedte (40-60). Het komt ons althans niet logisch voor dat die economische gemeenschap enkel wordt onderkend als een van de partners de volledige juridische eigendom heeft (100%), zoals in het arrest aan de orde was.

Wel merken wij op dat, als de samenwoners beiden juridisch eigenaar zijn, wel wat voorstellingsvermogen nodig is om te zien dat naast de juridische gemeenschap (50-50) ook nog sprake is van een (aparte) gemeenschap van de economische eigendom (50-50).

Bij de uitleg die wij aan het arrest geven, te weten dat naast de juridische gemeenschap ook steeds een gemeenschap van de economische eigendom bestaat, zijn er dus steeds twee gemeenschappen (tenzij de economische eigendom aan derden toebehoort). Door de tussen A en B in het kader van de scheiding gesloten overeenkomst eindigt de economische gemeenschap wat B betreft en A is vanaf dat moment als enige (in economische zin) tot de woning gerechtigd. Deze overeenkomst bevat alle elementen die artikel 3:182 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) noemt en is daarom aan te merken als verdeling van de onroerende zaak (in dit geval heeft A ook — geclausuleerd door het eindigen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van B – recht op levering).

**3:182 BW**
Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.

In de benadering dat er bij gemeenschappelijke juridische eigendom geen aparte gemeenschap van de economische eigendom kan worden onderkend is geen sprake van een verdeling. Datzelfde geldt als men weliswaar twee gemeenschappen onderkent, maar meent dat die toch op een bepaalde manier met elkaar zijn verbonden zodat enkel sprake is van een verdeling als zowel de juridische als de economische gemeenschap wordt verdeeld.

2. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het besluit van 21 juni 2013, nr. BLKB2013/642M, Stcrt. 2013, 17978 (de verdeling vloeit immers voort uit de tussen A en B gemaakte afspraken over de financiële afwikkeling van de scheiding). Daarom is op de verkrijging van de juridische eigendom van de helft van de onroerende zaak door A de vrijstelling van 15, lid 1, letter g, WBR van toepassing.

**Toelichting**
Aan alle vereisten voor toepassing van artikel 15, lid 1, letter g, WBR wordt voldaan: gezamenlijke verkrijging binnen de bandbreedte, verdeling, besluit.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *