AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt behandeld of bij de verkrijging van zowel juridische als economische eigendom in één notariële akte door C, een afzonderlijke verkrijging van economische eigendom in aanmerking moet worden genomen. De conclusie is dat het verlaagde tarief of de startersvrijstelling van toepassing is, zonder dat een aparte verkrijging van economische eigendom nodig is.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/Vaktechnische aanspreekpunten**
**Memo Kennisgroepstandpunt 21-052-16 verkrijging economisch en juridische eigendom in één akte**
**Aanleiding**
Volgens artikel 14 lid 4 WBR is voor de verkrijging van de economische eigendom van een woning het verlaagde tarief niet van toepassing. Dit artikel werkt door naar de startersvrijstelling van artikel 15, lid 1, letter p WBR. Hieronder wordt een casus behandeld waarbij in één notariële akte van de ene partij de juridische eigendom van een woning wordt verkregen en van een andere partij de economische eigendom. Bij de behandeling van de casus wordt ervan uitgegaan dat aan de overige voorwaarden voor het verlaagde tarief (of de startersvrijstelling) wordt voldaan.
**Vraag**
A is de juridische eigenaar van een woning, waarvan B de economische eigendom heeft. C verkrijgt in één notariële akte van A de juridische en van B de economische eigendom van deze woning. Dient bij C een afzonderlijke verkrijging van economische eigendom in aanmerking te worden genomen waarvoor het 8%-tarief geldt?
**Antwoord**
Nee. Redelijke wetstoepassing leidt er toe dat op de verkrijging door C, die in één notariële akte de juridische eigendom en de economische eigendom van de woning verkrijgt, het verlaagde tarief (of de startersvrijstelling) van toepassing is.
**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
In de vakstudie WBR wordt in aantekening 6.1.4 bij artikel 2 WBR de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis (wetvoorstel 24.172) aangehaald ten tijde van de introductie van het begrip economische eigendom in de zin van artikel 2 lid 2 WBR:
"In het systeem zoals dat in het wetsvoorstel is neergelegd, worden twee belastbare feiten onderscheiden indien er een splitsing heeft plaatsgevonden tussen de macht en het belang met betrekking tot een onroerende zaak. Overdrachtsbelasting is namelijk verschuldigd zowel bij de verkrijging van de economische eigendom als bij de verkrijging van de juridische eigendom, in beide gevallen over de waarde van de onroerende zaak. Ingeval er geen splitsing is geweest, is er ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak slechts één belastbaar feit."
Deze leden vragen in het bijzonder of de opmerking in onderdeel 11 van mijn brief van 12 september 1995 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dat in het geval waarin in één keer de volledige eigendom wordt verkregen — dat wil zeggen dat de juridische eigendom tevens de economische eigendom omvat — de heffing beperkt blijft tot eenmaal over de waarde of de hogere tegenprestatie, eveneens betrekking heeft op de onderwerpelijke situatie, waarin C bij één akte zowel de juridische als de economische eigendom verkrijgt van twee verschillende personen.
**MvA, Kamerstukken I 1995/96, 24172, nr. 20b, p. 4 en 12.**
"In de door de staatssecretaris op 12 september 1995 gezonden brief (kamerstuk Tweede Kamer, 24 172, nr. 10) wordt in onderdeel 11 opgemerkt, dat in het geval waarin in één keer de volledige eigendom wordt verkregen, dat wil zeggen dat de juridische eigendom tevens de economische eigendom omvat, de heffing beperkt blijft tot eenmaal over de waarde of de hogere tegenprestatie."
**VV, Kamerstukken I 1994/95, 24172, nr. 20a, p. 6/7.**
“Wellicht ten overvloede wil ik hier nog opmerken dat in het geval waarin in één keer de volledige eigendom wordt verkregen, dat wil zeggen dat de juridische eigendom tevens de economische eigendom omvat, de heffing beperkt blijft tot eenmaal over de waarde of de hogere tegenprestatie.”
**Memorie van toelichting:**
“2.3 Uitzondering bepaalde fictieve onroerende zaken en de economische eigendom. Gegeven de doelstelling van de startersvrijstelling en het verlaagde tarief vallen de verkrijging van de economische eigendom van een woning of de verkrijging van aandelen in een onroerende zaakrechtspersoon (fictieve onroerende zaken) buiten het toepassingsbereik van de voorgestelde startersvrijstelling en het verlaagde tarief. Economische eigendom komt met name voor bij zakelijke transacties, waarvoor het 8%-tarief zal worden toegepast.”
**Nota n.a.v. het Verslag (Kamerstukken II, 2020-2021, 35576, nr 6 blz 31)**
Ziet voorstaande parlementaire geschiedenis ook op verkrijgingen van verschillende personen / entiteiten? Zo ja, dan lijkt in de parlementaire geschiedenis een tegemoetkoming opgenomen.
Redelijke wetstoepassing zou er dus volgens de KG toe moeten leiden dat bij de (gelijktijdige) verkrijging op één dag, opgenomen in één notariële akte, van de juridische eigendom en de economische eigendom van de woning, verkregen van twee separate partijen, het verlaagde tarief (of de startersvrijstelling) van toepassing is. Daarbij wordt dus geen afzonderlijke verkrijging van de economische eigendom in aanmerking genomen.
Geef een reactie