AI-samenvatting
Dit memo behandelt de aangiftetijdstippen voor overdrachtsbelasting bij personenvennootschappen zonder notariële akte. Sinds 1 januari 2021 is het verplicht om aangifte te doen, zelfs bij vrijgestelde verkrijgingen. Het is toegestaan om meerdere vrijstellingen in de aangifte te vermelden in aflopende volgorde.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/MKB/kantoor Den Haag**
**Memo Kennisgroepstandpunt 21-052-15 Moment van aangifte**
**Feiten/casus**
In de agrarische praktijk wordt een groot aantal personenvennootschappen opgericht zonder dat een notariële akte wordt opgemaakt, waarbij vaak de economische eigendom van onroerende zaken gedeeltelijk wordt overgedragen aan de medevennoten. Tot 1 januari 2021 werd volstaan met het opnemen van een beroep op de vrijstelling in de maat- of vennootschapsovereenkomst en een verwijzing daarnaar in het meldingsbericht bedoeld in artikel 54 WBR. Sinds 1 januari 2021 moet ook van een vrijgestelde verkrijging aangifte worden gedaan, dus ook als er geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. [GEANONIMISEERD]
[GEANONIMISEERD] onderscheidt de volgende momenten voor de bepaling van de starttermijn voor het doen van aangifte:
a. Het moment dat de vennoten mondeling overeen zijn gekomen dat zij een vof aangaan?
b. De datum van ingang van de vof-akte? Hierbij wordt opgemerkt dat op grond van de inkomstenbelasting onder omstandigheden de vof-akte met een terugwerkende kracht een ingangsdatum heeft die maximaal negen maanden teruggaat. De akte wordt derhalve op 1 september van enig jaar ondertekend, maar werkt terug tot 1 januari van desbetreffende jaar.
c. De datum van ondertekening van de vof-akte?
**Vraag**
1. Op welk moment start de termijn van aangifte?
2. Is het in casu toegestaan om in de aangifte in aflopende volgorde een beroep te doen op meerdere vrijstellingen?
**Antwoord**
1. Als van de verkrijging geen notariële akte is opgemaakt, dient de verschuldigde belasting op aangifte te worden voldaan binnen een maand nadat de belasting verschuldigd is geworden (artikel 19, lid 3 AWR). In verband hiermee moet de verkrijger binnen een maand na de verkrijging van de economische eigendom de inspecteur verzoeken een aangifte uit te reiken (tenzij de belastingplichtige reeds eerder door de inspecteur was uitgenodigd tot het doen van aangifte, zie artikel 3, lid 1 URAWR). Formeel gezien zal de overdrager binnen twee weken na de verkrijging van de economische eigendom een melding economische eigendomsoverdracht moeten doen (artikel 54 WBR) en die zal een meldingsformulier moeten aanvragen/toegestuurd krijgen en ingevuld retour moeten zenden (artikel 21b UrAwr). Gezien artikel 15, lid 9 WBR zal naar aanleiding van een ingevuld meldingsformulier vanaf 1 januari 2021 in beginsel altijd een aangifteformulier uitgereikt worden door de inspecteur.
Ongeacht de (eventuele) melding van de overdrager heeft de verkrijger zelf de verplichting om een aangifte aan te vragen binnen een maand na de verkrijging (en de eventueel verschuldigde OVB binnen een maand na de verkrijging te voldoen), ook als er geen melding is gedaan door de overdrager dan wel de inspecteur niet is overgegaan tot het uitreiken van een aangifte aan de verkrijger naar aanleiding van de melding door de overdrager. Sinds 1 januari 2021 geldt het bovenstaande ook als een verkrijging van overdrachtsbelasting geheel is vrijgesteld (artikel 15, lid 9 WBR). In de ‘nihil‘-aangifte dient dan te worden aangegeven welke vrijstelling of vrijstellingen van toepassing is/zijn.
Op het aan de belastingplichtige uitgereikte aangiftebiljet is aangegeven vóór welke datum de aangifte en voldoening op aangifte moet worden gedaan.
**Voorbeeld**
In april (optie a uit de vraagstelling) komen partijen civielrechtelijk een vof overeen met elkaar (datum aangaan vof), nadere uitwerking van de inbreng zal echter nog volgen. In mei komen partijen overeen dat de economische eigendom van een onroerende zaak van één van de vennoten in de vof wordt ingebracht met terugwerkende kracht tot 1 januari van het oprichtingsjaar (optie b uit de vraagstelling: datum van fiscale ingang vof). In september (optie c uit de vraagstelling) wordt een en ander schriftelijk vastgelegd in een akte (vof-akte, inbrengakte).
**Uitwerking**
De overdrachtsbelasting kent, anders dan de inkomstenbelasting, geen terugwerkende kracht. Voor de overdrachtsbelasting wordt in het voorbeeld in mei de economische eigendom verkregen. Op dat moment ontstaat immers het samenstel van rechten en plichten (de tussen partijen gesloten overeenkomst) dat voor de verkrijgende vennoten een belang vertegenwoordigt bij de onroerende zaak van de inbrengende vennoot. Van belang is dus het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst die de economische mede-eigendom doet overgaan. N.B. Als de overeenkomst ertoe strekt dat de economische (mede)eigendom pas zal overgaan op de medevennoten op een later tijdstip, dan is pas op dat latere tijdstip sprake van een belastbaar feit. Niet van belang is op welk tijdstip alle bepalingen op schrift worden gezet (datum van de akte).
**Inleiding**
Alle vrijstellingen in de overdrachtsbelasting zijn van rechtswege van toepassing, indien en zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. Voor de toepasbaarheid van de vrijstelling is het dus niet noodzakelijk om er een beroep op te doen in de aangifte, ook al is het wel verplicht alle gegevens die van belang zijn voor de heffing in de aangifte te vermelden (het niet voldoen aan deze verplichting kan wellicht een verzuimboete opleveren, maar heeft bijvoorbeeld niet het gevolg dat een niet in de aangifte genoemde vrijstelling wordt verspeeld).
**Antwoord**
Ja, het is mogelijk meer dan één vrijstelling te vermelden in de aangifte. De volgorde mag de belastingplichtige zelf bepalen. Als met ‘aflopende volgorde’ wordt bedoeld dat de eerstgenoemde vrijstelling degene is waarop primair een beroep wordt gedaan, de volgende een subsidiair beroep en de daarna volgende een meer subsidiair beroep, dan is dat dus zonder meer aanvaardbaar. Nadeel kan de belastingplichtige hiervan niet hebben. Als de primaire vrijstelling niet opgaat, maar de subsidiaire wel, is die vrijstelling van toepassing (en omgekeerd). Als zowel de primaire als de subsidiaire vrijstelling niet opgaat (en geen andere vrijstellingen zijn genoemd in de aangifte) is theoretisch denkbaar dat een derde vrijstelling (niet in de aangifte genoemd) wel opgaat. N.B. Bij een gefaseerde bedrijfsopvolging waarbij een beroep wordt gedaan op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel b WBR dient bij aanvang van de eerste fase al een concreet plan aanwezig te zijn hoe de onderneming in het geheel zal worden overgedragen.
**Beschouwing/Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
**Wettelijk kader**
Artikel 15, lid 9 WBR
9. Indien ter zake van een verkrijging een vrijstelling als bedoeld in het eerste of zesde lid wordt toegepast, wordt met betrekking tot die verkrijging aangifte gedaan. Indien met betrekking tot die verkrijging een notariële akte wordt opgemaakt, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige zin, aangifte gedaan met overeenkomstige toepassing van artikel 18.
Artikel 54 WBR
1. Indien de verkrijging, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet is neergelegd in een notariële akte, is degene die de economische eigendom overdraagt, verplicht binnen twee weken na de verkrijging aan de inspecteur te melden dat de economische eigendom is overgedragen.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de melding moet worden gedaan.
3. Met betrekking tot de verplichtingen, bedoeld in dit artikel, blijven de artikelen 47b en 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen buiten toepassing.
Artikel 21b, Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 (URAWR)
Aan de verplichting, bedoeld in artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, wordt voldaan door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen, ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsbiljet.
Artikel 10, lid 1 AWR
1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de uitnodiging tot het doen van aangifte.
Artikel 19, lid 3 AWR
3. In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet voldoening of afdracht van belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
Artikel 3, leden 1 en 5 URAWR
1. Met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. Indien ter zake van een verkrijging van goederen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer of van andere goederen waarvan geen notariële akte is opgemaakt een vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt toegepast, is de verkrijger gehouden om binnen een maand na die verkrijging de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Geef een reactie