AI-samenvatting
Dit memo behandelt de aangiftetijdstippen voor overdrachtsbelasting bij personenvennootschappen zonder notariële akte. Sinds 1 januari 2021 is het verplicht om aangifte te doen, zelfs bij vrijgestelde verkrijgingen. Het is toegestaan om meerdere vrijstellingen in de aangifte te vermelden in aflopende volgorde.
Kennisgroepstandpunt
Belastingdienst
VERTROUWELIJK
Belastingdienst/MKB/kantoor Den Haag
5.1.2e
Memo Kennisgroepstandpunt 21-052-15 Moment van
aangifte
Feiten/casus
In de agrarische praktijk wordt een groot aantal personenvennootschappen
opgericht zonder dat een notariële akte wordt opgemaakt, waarbij vaak de
economische eigendom van onroerende zaken gedeeltelijk wordt overgedragen aan
de medevennoten.
Tot 1 januari 2021 werd volstaan met het opnemen van een beroep op de vrijstelling
in de maat- of vennootschapsovereenkomst en een verwijzing daarnaar in het
meldingsbericht bedoeld in artikel 54 WBR. Sinds 1 januari 2021 moet ook van een
vrijgestelde verkrijging aangifte worden gedaan, dus ook als er geen
overdrachtsbelasting verschuldigd is. 67 Awr
67 Awrpnderscheidt de volgende momenten voor de bepaling van de starttermijn voor
het doen van aangifte:
a. Het moment dat de vennoten mondeling overeen zijn gekomen dat zij een
vof aangaan?
b. De datum van ingang van de vof-akte? Hierbij wordt opgemerkt dat op
grond van de inkomstenbelasting onder omstandigheden de vof-akte met
een terugwerkende kracht een ingangsdatum heeft die maximaal negen
maanden teruggaat. De akte wordt derhalve op 1 september van enig jaar
ondertekend, maar werkt terug tot 1 januari van desbetreffende jaar.
c. De datum van ondertekening van de vof-akte?
Vraag
1. Op welk moment start de termijn van aangifte?
2. Is het in casu toegestaan om in de aangifte in aflopende volgorde een
beroep te doen op meerdere vrijstellingen?
Antwoord
1. Als van de verkrijging geen notariële akte is opgemaakt, dient de
verschuldigde belasting op aangifte te worden voldaan binnen een maand
nadat de belasting verschuldigd is geworden (artikel 19, lid 3 AWR). In
verband hiermee moet de verkrijger binnen een maand na de verkrijging
van de economische eigendom de inspecteur verzoeken een aangifte uit te
reiken (tenzij de belastingplichtige reeds eerder door de inspecteur was
uitgenodigd tot het doen van aangifte, zie artikel 3, lid 1 URAWR).
Formeel gezien zal de overdrager binnen twee weken na de verkrijging van
de economische eigendom een melding economische eigendomsoverdracht
moeten doen (artikel 54 WBR) en die zal een meldingsformulier moeten
aanvragen/toegestuurd krijgen en ingevuld retour moeten zenden (artikel
21b UrAwr). Gezien artikel 15, lid 9 WBR zal naar aanleiding van een
VERTROUWELIJK
1703742Corporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl
Datum
4 oktober 2021
Versienummer
1.0
Behandeld door
5.1.2e
Kopie aan
5.1.2e
Bijlage
Pagina 1 van 4
00090
1703742ingevuld meldingsformulier vanaf 1 januari 2021 in beginsel altijd een
aangifteformulier uitgereikt worden door de inspecteur.
Ongeacht de (eventuele) melding van de overdrager heeft de verkrijger
zelf de verplichting om een aangifte aan te vragen binnen een maand na
de verkrijging (en de eventueel verschuldigde OVB binnen een maand na
de verkrijging te voldoen), ook als er geen melding is gedaan door de
overdrager dan wel de inspecteur niet is overgegaan tot het uitreiken van
een aangifte aan de verkrijger naar aanleiding van de melding door de
overdrager.
Sinds 1 januari 2021 geldt het bovenstaande ook als een verkrijging van
overdrachtsbelasting geheel is vrijgesteld (artikel 15, lid 9 WBR). In de
‘nihil‘-aangifte dient dan te worden aangegeven welke vrijstelling of
vrijstellingen van toepassing is/zijn.
Op het aan de belastingplichtige uitgereikte aangiftebiljet is aangegeven
vóór welke datum de aangifte en voldoening op aangifte moet worden
gedaan.
Voorbeeld
In april (optie a uit de vraagstelling) komen partijen civielrechtelijk een vof
overeen met elkaar (datum aangaan vof), nadere uitwerking van de
inbreng zal echter nog volgen.
In mei komen partijen overeen dat de economische eigendom van een
onroerende zaak van één van de vennoten in de vof wordt ingebracht met
terugwerkende kracht tot 1 januari van het oprichtingsjaar (optie b uit de
vraagstelling: datum van fiscale ingang vof).
In september (optie c uit de vraagstelling) wordt een en ander schriftelijk
vastgelegd in een akte (vof-akte, inbrengakte).
Uitwerking
De overdrachtsbelasting kent, anders dan de inkomstenbelasting, geen
terugwerkende kracht. Voor de overdrachtsbelasting wordt in het
voorbeeld in mei de economische eigendom verkregen. Op dat moment
ontstaat immers het samenstel van rechten en plichten (de tussen partijen
gesloten overeenkomst) dat voor de verkrijgende vennoten een belang
vertegenwoordigt bij de onroerende zaak van de inbrengende vennoot.
Van belang is dus het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst die de
economische mede-eigendom doet overgaan. N.B. Als de overeenkomst
ertoe strekt dat de economische (mede)eigendom pas zal overgaan op de
medevennoten op een later tijdstip, dan is pas op dat latere tijdstip sprake
van een belastbaar feit.
Niet van belang is op welk tijdstip alle bepalingen op schrift worden gezet
(datum van de akte).
Inleiding
Alle vrijstellingen in de overdrachtsbelasting zijn van rechtswege van
toepassing, indien en zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. Voor de
toepasselijkheid van de vrijstelling is het dus niet noodzakelijk om er een
beroep op te doen in de aangifte, ook al is het wel verplicht alle gegevens
die van belang zijn voor de heffing in de aangifte te vermelden (het niet
voldoen aan deze verplichting kan wellicht een verzuimboete opleveren,
maar heeft bijvoorbeeld niet het gevolg dat een niet in de aangifte
genoemde vrijstelling wordt verspeeld).
Antwoord
Ja, het is mogelijk meer dan één vrijstelling te vermelden in de aangifte. De
volgorde mag de belastingplichtige zelf bepalen.
Als met ‘aflopende volgorde’ wordt bedoeld dat de eerstgenoemde
vrijstelling degene is waarop primair een beroep wordt gedaan, de volgende
00090
een subsidiair beroep en de daarna volgende een meer subsidiair beroep,
dan is dat dus zonder meer aanvaardbaar. Nadeel kan de belastingplichtige
hiervan niet hebben. Als de primaire vrijstelling niet opgaat, maar de
subsidiaire wel, is die vrijstelling van toepassing (en omgekeerd). Als zowel
de primaire als de subsidiaire vrijstelling niet opgaat (en geen andere
vrijstellingen zijn genoemd in de aangifte) is theoretisch denkbaar dat een
derde vrijstelling (niet in de aangifte genoemd) wel opgaat.
N.B. Bij een gefaseerde bedrijfsopvolging waarbij een beroep wordt gedaan
op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel b WBR dient bij aanvang
van de eerste fase al een concreet plan aanwezig te zijn hoe de onderneming
in het geheel zal worden overgedragen.
Beschouwing/Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van
het antwoord)
Wettelijk kader
Artikel 15, lid 9 WBR
9. Indien ter zake van een verkrijging een vrijstelling als bedoeld in het eerste
of zesde lid wordt toegepast, wordt met betrekking tot die verkrijging
aangifte gedaan. Indien met betrekking tot die verkrijging een notariële akte
wordt opgemaakt, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige zin, aangifte
gedaan met overeenkomstige toepassing van artikel 18.
Artikel 54 WBR
1. Indien de verkrijging, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet is neergelegd in
een notariële akte, is degene die de economische eigendom overdraagt,
verplicht binnen twee weken na de verkrijging aan de inspecteur te melden
dat de economische eigendom is overgedragen.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de
melding moet worden gedaan.
3. Met betrekking tot de verplichtingen, bedoeld in dit artikel, blijven de artikelen
47b en 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen buiten toepassing.
Artikel 21b, Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964
(URAWR)
Aan de verplichting, bedoeld in artikel 54 van de Wet op belastingen van
rechtsverkeer, wordt voldaan door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud
invullen, ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur
uitgereikte of toegezonden meldingsbiljet.
Artikel 10, lid 1 AWR
1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet op aangifte
moeten worden voldaan of afgedragen, wordt de aangifte gedaan bij de
inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de uitnodiging tot het doen van
aangifte.
Artikel 19, lid 3 AWR
3. In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet
voldoening of afdracht van belasting op aangifte voorschrijft, is de
belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de
belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één
maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
1703742 00090
1703742Artikel 3, leden 1 en 5 URAWR
1. Met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan
of afgedragen, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de
inhoudingsplichtige, die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte,
gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald, de
inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Indien ter zake van een verkrijging van goederen als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer of van
andere goederen waarvan geen notariële akte is opgemaakt een vrijstelling
van overdrachtsbelasting wordt toegepast, is de verkrijger gehouden om
binnen een maand na die verkrijging de inspecteur om uitnodiging tot het
doen van aangifte te verzoeken.
00090
Geef een reactie