1703738

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt bevestigd dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, WBR van toepassing is op de verkrijging van een belang in X BV door A. Dit betreft een overdracht binnen de familie, waarbij de continuïteit van de onderneming gewaarborgd blijft.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1703738**

**VERTROUWELIJK**
Belastingdienst/
Belastingdienst
Standpunt ingetrokken per 31 oktober 2022
Corporate Dienst Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl

**Contactpersoon**
M | | el] | lO Kennisgroepstandpunt 21-052-0031 art. 15-1-b E WBR bij vergroting belang
Datum: 4 mei 2022
Versienummer: 1.1

**Casus, gegeven feiten**
Natuurlijk persoon A verkreeg [GEANONIMISEERD] van de certificaten van aandelen [GEANONIMISEERD] van natuurlijk persoon B. Vóór deze transactie was A houder van [GEANONIMISEERD] certificaten, zijnde een belang van [GEANONIMISEERD]. Behandeld door [GEANONIMISEERD]. De overige certificaten waren voor bovengenoemde overdracht in bezit van B en natuurlijk persoon C. A, B en C hadden ieder [GEANONIMISEERD]. A, B en C zijn broer en zussen.

**Bijlage**
De achtergrond van de transactie is de uitkoop van B als certificaathouder van X BV, waarbij de certificaten van B zijn overgenomen binnen de groep van de overige certificaathouders en de [GEANONIMISEERD] kinderen van de overige certificaathouders. Om te voorkomen dat de kinderen van de overige certificaathouders ieder meer dan 7% belang (kwalificerend belang) in X BV zouden verkrijgen, heeft A zijn belang vergroot. Het belang van C is verkleind tot ongeveer [GEANONIMISEERD] doordat C aandelen heeft verkocht. De kinderen hebben belangen van minder dan 7% verkregen. Volgens de notariële akte geschiedt de verkoop om “estate planning technische redenen”. Er is geen concreet overnameplan.

X BV is een exploitatiemaatschappij van onroerende zaken. Verreweg de grootste opbrengst bestaat, geconsolideerd bezien, uit huuropbrengsten. X BV heeft verder onder meer twee deelnemingen [GEANONIMISEERD] en Z BV. Het bestuur van X BV werd en wordt gevormd door A en C. De aandelen in X BV zijn gecertificeerd en in bezit van Stichting Administratiekantoor X BV (Stak). Het bestuur van deze Stak bestond voorafgaand aan de overdracht van certificaten uit A, B en C. Na de overdracht van certificaten bestaat het bestuur van de Stak uit A en C.

X BV is een onroerendezaakrechtspersoon (OZR) in de zin van artikel 4 Wet Belastingen van Rechtsverkeer (WBR). De certificaten gelden als fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4, lid 1, letter a WBR. X BV drijft een materiële onderneming. Na de overdracht van de certificaten is de verdeling van de certificaten in X BV als volgt: A: [GEANONIMISEERD], B: [GEANONIMISEERD], C: [GEANONIMISEERD] kinderen: [GEANONIMISEERD]. De kinderen hebben daarmee geen kwalificerend belang.

**Vraag**
Is artikel 15, lid 1, letter b, WBR van toepassing op de verkrijging van het belang [GEANONIMISEERD] in X BV door A, waarbij de overige verkrijgers de rest van het belang van B verkrijgen?

**Antwoord**
Ja, ten aanzien van de verkrijging van het belang van [GEANONIMISEERD] in X BV door A is de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, WBR van toepassing.

**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
**Wet- en regelgeving**
Artikel 15, lid 1, letter b, WBR stelt vrij:
“de verkrijging door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet (…)”.

**Jurisprudentie**
Op basis van de doorkijkarresten is de vrijstelling wegens bedrijfsoverdracht onder bepaalde omstandigheden tevens van toepassing bij de verkrijging van aandelen in een Onroerende Zaak Rechtspersoon. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:2110) heeft daarbij overwogen:
“2.2.2 In het licht daarvan moet volgens het Hof onder “in haar geheel door de verkrijger wordt voortgezet” in artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, WBR mede worden verstaan de verkrijging van de aandelen die als gevolg van de hiervoor bedoelde wetsfictie als onroerende zaken worden aangemerkt, doch uitsluitend indien de aandelen worden gehouden in een vennootschap die een materiële onderneming drijft en voorts, doordat alle aandelen worden verkregen, de volledige zeggenschap in die onderneming van de ouder op het kind overgaat. Aan deze beide voorwaarden is voldaan zodat de vrijstelling van toepassing is, aldus het Hof.

2.3.3. Indien belanghebbende die onroerende zaken zou hebben verkregen van zijn moeder en hij haar onderneming waaraan die onroerende zaken dienstbaar zijn, voortzet wat de bedrijfsvoering betreft, kan hij een beroep doen op de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, WBR. Die vrijstelling strekt voor zover hier van belang ertoe, zoals het middel terecht tot uitgangspunt neemt, om ouders de gelegenheid te geven bij leven hun onderneming over te dragen aan hun kinderen.”

**Beschouwing wet- en regelgeving en jurisprudentie**
Ten aanzien van rechtsoverweging 2.2.2
In casu worden niet alle certificaten van aandelen (CVA) verkregen door A. A vergroot zijn belang [GEANONIMISEERD] tot [GEANONIMISEERD] (36,19%). Wel is het zo dat alle aandelen binnen familieverband worden gehouden. Waarbij wordt opgemerkt dat tegelijkertijd met de verkrijging van de [GEANONIMISEERD] door A [GEANONIMISEERD] kinderen een certificaten-belang krijgen van minder dan 7% (zonder zeggenschap) in X BV.

Doordat de [GEANONIMISEERD] worden verkregen door A gaat niet de volledige zeggenschap in die onderneming over op A. Wel heeft A reeds zeggenschap vóór de verkrijging van de [GEANONIMISEERD] door het zijn van één van de drie bestuurders in de STAK. Met de uitkoop van B [GEANONIMISEERD] treedt B ook uit het bestuur van de STAK en daarmee breidt A zijn zeggenschap uit. A is na de overdracht één van de twee bestuurders van de STAK.

Het feitencomplex brengt met zich mee dat er sprake is van het verkrijgen van aandelen door en van een gekwalificeerd familielid (verhouding broer – zus) waarbij ook zeggenschap overgaat.

Ten aanzien van rechtsoverweging 2.3.3
Zou artikel 15, lid 1, letter b, WBR van toepassing zijn wanneer B een VOF-aandeel [GEANONIMISEERD] zou hebben overgedragen aan A? De wettekst luidt als volgt:
door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet. (…)

Verkregen wordt door een aantal kinderen en een broer (A) van een ondernemer (aangenomen wordt dat zus B voor haar VOF-aandeel als ondernemer wordt aangemerkt) van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan haar onderneming, die wat bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet.

Uit het feitencomplex lijkt te volgen dat de bedrijfsvoering (het [GEANONIMISEERD] VOF-aandeel van B), al dan niet in fasen, in het voorliggende geval niet in haar geheel door de verkrijgers wordt voortgezet. De kinderen zetten de bedrijfsvoering niet voort aangezien ze geen zeggenschap krijgen, zodat het VOF-aandeel van B niet door de verkrijgers wordt voortgezet.

Wanneer enkel wordt gekeken naar het [GEANONIMISEERD] aandeel dat A (er bij) verkrijgt, dan kan ten aanzien van dat aandeel wel aangenomen worden dat er sprake is van voortzetting van de bedrijfsvoering van dat deel van het VOF-aandeel van zus B door broer A.

**Doorkijken — vergelijking met persoonlijke onderneming**
Wat er min of meer gebeurt, wanneer de vergelijking wordt gemaakt met de situatie van een ‘persoonlijke onderneming’, is dat de VOF wordt omgevormd tot een Commanditaire Vennootschap (CV). Tot die CV is broer A als beherend vennoot (ondernemer) gerechtigd voor [GEANONIMISEERD], zus C als beherend vennoot (ondernemer) voor [GEANONIMISEERD] en de kinderen als commanditair vennoot (geen ondernemer) gezamenlijk gerechtigd voor [GEANONIMISEERD], ieder voor [GEANONIMISEERD].

Feitelijk zijn zus C en broer A dus de ‘echte ondernemers’ gebleven (art. 3.4 Wet inkomstenbelasting) en de kinderen ‘quasi-ondernemers/ medegerechtigden’ (art. 3.3 Wet inkomstenbelasting).

Het ontmoet geen bezwaar om de verkrijging van het [GEANONIMISEERD] door A onder 15, lid 1, letter b, WBR te laten vallen omdat broer A het [GEANONIMISEERD] aandeel van zus B wel degelijk overneemt en voortzet.

**Doel van de vrijstelling**
Enigszins vrij geformuleerd is het doel van de vrijstelling het bevorderen van overdracht van een onderneming op het tijdstip dat een ondernemer zich in feite uit de bedrijfsuitoefening terugtrekt, teneinde versnippering van de onderneming na het overlijden te voorkomen. Zie hiervoor ECLI:NL:GHSHE:2004:AS5538:

4.2. Bij verkrijgingen van in Nederland gelegen onroerende zaken krachtens erfrecht is geen overdrachtsbelasting verschuldigd (artikel 3, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet), terwijl dit wel het geval is bij verkrijgingen voorafgaande aan het overlijden. De vrijstelling beoogt te bewerkstelligen dat niet om die reden tot het overlijden zal worden gewacht met de bedrijfsopvolging. Bij overlijden is het gevaar van versnippering van het bedrijfsvermogen groter dan bij overdracht tijdens leven. Dat gevaar van versnippering wilde de wetgever zo bestrijden en naar het oordeel van het Hof is dat gevaar niet geheel geweken door recente wijzigingen in het erfrecht.

Op zich voldoet het van toepassing zijn van de vrijstelling in het onderhavige geval aan het doel van de vrijstelling: het mogelijk maken om bij leven een onderneming over te dragen binnen een bepaalde familiekring. Zus B draagt haar onderneming bij leven over aan (de kinderen) van broer A en zus C. Het gevaar van versnippering van het bedrijfsvermogen wordt met de overdracht van het belang van zus B verminderd omdat de onderneming door broer A en zus C wordt voortgezet. Mogelijk leidt deze overdracht uiteindelijk tot de situatie dat de onderneming bij de kinderen van broer A en zus C terechtkomt. Dat er op het moment van uittreden van zus B (nog) geen concreet overnameplan ten aanzien van de kinderen hoeft daaraan niet in de weg staan.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: