AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de gevolgen van de wijzigingen in de Registratiewet 1917 voor de overdracht van aandelen in vennootschappen die onroerend goed bezitten. Het besluit verduidelijkt dat registratierechten verschuldigd zijn bij deze overdrachten, afhankelijk van de waarde van het onroerend goed.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**DE VOORLOPERS VAN ARTIKEL 4 EN ARTIKEL 10 WBR**
**EEN HISTORISCHE BESCHOUWING**
**MAART 2021**
**MR. H.C. ITTMANN,**
**NOTARIS TE HAARLEM,**
**OUD-ONTVANGER DER REGISTRATIE EN DOMEINEN.**
**TWEEDE SUPPLEMENT OP DEN TWEEDEN DRUK**
**NAAR AANLEIDING VAN DE WET VAN 7 AUGUSTUS 1933,**
**STAATSBLAD N°. 432**
**DOOR**
**A.J. VAN SOEST,**
**INSPECTEUR DER REGISTRATIE EN DOMEINEN**
**EN CANDIDAAT-NOTARIS TE ’S-GRAVENHAGE.**
**VOORBERICHT.**
De wet van 7 Augustus 1933, Stbl. no. 432 maakt het noodzakelijk kort na het verschijnen van het eerste supplement op het werk van Mr. Ittmann een tweede aanvulling het licht te doen zien. Teneinde onoverzichtelijkheid te vermijden is bij deze tweede aanvulling zooveel mogelijk naar beperking gestreefd. Waar deze tweede aanvulling zoo kort na de eerste verschijnt is voorts uitsluitend aandacht gewijd aan de wijzigingen, welke door evengenoemde wet noodzakelijk zijn geworden en zijn jurisprudentie en beslissingen, welke bekend zijn geworden na het bewerken van het eerste supplement, buiten beschouwing gelaten. De wijzigingen in de bladzijden 1 tot en met 30 zijn niet afzonderlijk opgenomen. Ze vloeien vanzelf voort uit de wijzigingen in den wettekst, voorkomende boven de bespreking van elk artikel, gebracht.
September 1933. A. J. VAN SOEST.
—
**Artikel 45a.**
Ter zake van den verkoop of andere overeenkomst tot overdracht van aandeelen, onverschillig of van deze laatsten al dan niet bewijzen zijn afgegeven, in de in het volgende lid omschreven naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeelen en andere vennootschappen, welker kapitaal geheel of ten deele in aandeelen is verdeeld, is verschuldigd een registratierecht van twee gulden vijftig cent van elke honderd gulden. Deze vennootschappen zijn de zoodanige, welke volgens hare naar goed koopmansgebruik laatstelijk opgemaakte en vastgestelde balans, onroerende zaken binnen het Rijk gelegen of gevestigd bezitten, van welke onroerende zaken de verkoopwaarde drie-vierde gedeelte of meer bedraagt van het verschil tusschen de waarde van de gezamenlijke bezittingen der vennootschap en hare schulden. Onder de bezittingen worden niet mede gerekend de vorderingen, die bij de oprichting of de latere storting op aandeelen zijn ontstaan. Indien de onroerende zaken op de balans voorkomen voor een lager bedrag dan hare verkoopwaarde, wordt voor de beoordeeling van de verhouding in het vorige lid bedoeld, dat bedrag vervangen door de verkoopwaarde.
**Artikel 45b.**
Van de in het vorige artikel omschreven vennootschappen zijn uitgezonderd die, welke aan ’s Rijks ambtenaar daartoe door Onzen Minister van Financiën aangewezen, of aan den rechter, zoo niet naar de eischen van het burgerlijk recht, dan toch overtuigend aantoonen, dat bij het einde van het boekjaar, waarover de in het vorige artikel bedoelde balans opgemaakt is, haar gestorte kapitaal meer dan honderd duizend gulden bedraagt.
**Artikel 45c.**
Met het bezitten van onroerende zaken binnen het Rijk gelegen of gevestigd wordt voor de toepassing van artikel 45a gelijk gesteld het bezitten van aandeelen in vennootschappen als in het tweede lid van dat artikel genoemd zijn.
**Artikel 45d.**
Het recht in artikel 45a bedoeld is verschuldigd over de verkoopwaarde van van een zoodanig gedeelte van de in dat artikel genoemde onroerende zaken, als het gestorte bedrag op de aandeelen, op welke de verkoop of andere overeenkomst tot overdracht betrekking heeft, uitmaakt van het geheele gestorte kapitaal der vennootschap.
**Conclusies:**
In de allereerste versie van het huidige art. 4 werd geen doeleis gesteld. Een strikte bezitseis werd gehanteerd: het vastgoed (incl. wev deelnemingen in andere ozr’s) moest een waarde hebben van * of meer van het saldo van de activa en passiva (kortgezegd). Grote vennootschappen (gestort kapitaal 100.000 gulden of meer) waren geen ozr. Art. 45a is gewijzigd bij de wet van 21 dec. 1950, S. no. K 596. Het tarief werd toen verhoogd naar 5%.
—
**De doeleis is geïntroduceerd om de overkill van het systeem van de RW 1917 terug te dringen. Het lichaam zelf moet handelen in (fictieve) oz of deze exploiteren.**
Over de dubbeldekkerconstructie wordt in de MvT het volgende opgemerkt: De dubbeldekkerconstructie is een bijzondere variant van de oppompconstructie, waarbij de wijze van waardering van de aandeelbezittingen mede een rol speelt.
**Artikel 4**
Het wetsvoorstel introduceert in de wetgeving het begrip fictieve onroerende zaken. Fictieve onroerende zaken zijn in dit kader de in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b, WBR, bedoelde aandelen in onroerende-zaaklichamen en rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties.
—
**Einde document**
Geef een reactie