1703725

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt besproken of het 2%-tarief en de startersvrijstelling van toepassing zijn bij de verkrijging van een tweede woning. Het blijkt dat slechts één woning als hoofdverblijf kan gelden, wat invloed heeft op de toepasselijkheid van de OVB-faciliteiten. Daarnaast kan er geen keuze gemaakt worden tussen twee woningen.

Kennisgroepstandpunt

Belastingdienst
VERTROUWELIJK
Belastingdienst/
| | el | 1O Kennisgroepstandpunt 21-052-26 Hoofdverblijven?
(artikel 14 lid 2 en 15 lid 1 letter p WBR)
Feiten/aanleiding
Eén van de voorwaarden die gelden voor toepassing van de faciliteiten die per 1
januari 2021 in de WBR zijn gewijzigd/ingevoerd, te weten: 1. het 2%-tarief en 2. de
startersvrijstelling, is dat de verkrijger de verkregen woning (incl. aanhorigheden)
als hoofdverblijf gaat gebruiken.
Gesteld dat A, die in dorp X een woning heeft die A als hoofdverblijf gebruikt
(anders dan tijdelijk) en blijft gebruiken, een andere woning in dorp X verkrijgt die
ook door hem gebruikt gaat worden (door de weeks hier en in de weekenden en
vakanties daar).
a. Is dan het 2%-tarief van toepassing, kan de startersvrijstelling toepasselijk zijn?
b. Kan, net als voor de IH, een keuze worden gemaakt als iemand tegelijkertijd
twee woningen verkrijgt (zonder samenvoeging)?
Vraag
a. Is dan het 2%-tarief van toepassing, kan de startersvrijstelling toepasselijk zijn?
b. Kan, net als voor de IH, een keuze worden gemaakt als iemand tegelijkertijd
twee woningen verkrijgt (zonder samenvoeging)?
Antwoord
a. A kan slechts één woning als hoofdverblijf hebben. De OVB-faciliteiten kunnen
op de verkrijging van een andere (bijvoorbeeld een tweede) woning alleen van
toepassing zijn, als die andere woning voor de verkrijger gaat fungeren als zijn of
haar hoofdverblijf en de eerder verkregen woning niet langer als hoofdverblijf
aan te merken is.
Het antwoord op de vraag welke van de twee woningen als hoofdverblijf (de
‘centrale levensplaats’) wordt gebruikt, wordt dan bepaald aan de hand van alle
feiten en omstandigheden.
Als A verklaart dat de nieuwe woning als hoofdverblijf gebruikt gaat worden en
de inspecteur dit betwist, rust de bewijslast bij A.
Beoordeling vindt plaats aan de hand van artikel 4 Algemene wet inzake
rijksbelastingen (AWR). Centraal staat daarbij de vraag: wat is het middelpunt
VERTROUWELIJK
1703725Corporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst. nl
Contactpersoon
5.1.2e
5.1.2e
Datum
20 september 2021
Versienummer
1.0
Behandeld door
5.1.2e
ie aan
5.1.2e
Bijlage
Pagina 1 van 8
00087

van de persoonlijke — en economische belangen van A. Aanknopingspunten
kunnen hierbij zijn:
– de inschrijving door de verkrijger op het adres van de aangekochte woning in
de Basisregistratie Personen(hierna: BRP)
– het aanmerken van de aangekochte woningals eigen woning in de zin van de
eigenwoningregeling in de aangifte inkomstenbelasting;
– het woningbezit van de verkrijger in het Kadaster:
– de voorwaarden waaronder de verkrijger een geldlening is aangegaan bij een
bank;
Wanneer iemand die al een (eigen of huur)woning heeft die hij of zij als
hoofdverblijf gebruikt (hierna: ‘oude woning’) een andere woning (hierna ‘de
nieuwe woning’) verkrijgt die hij als hoofdverblijf gaat gebruiken is het 2%-tarief
van toepassing, ook als de oude woning wordt aangehouden voor eigen gebruik,
bijvoorbeeld voor recreatiedoeleinden.
Blijft de oude woning echter in gebruik als hoofdverblijf dan is het 8% tarief van
toepassing op de verkrijging van de nieuwe woning.
b. Nee, er kan geen keuze gemaakt worden.
Beschouwing/ Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van
het antwoord)
In zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag,
9 november 2020. Kstk 35576, nr. 34) schrijft de staatssecretaris van Financiën:
“Daarbij moet opgemerkt worden dat, net als voor de inschrijving in de BRP
(basisregistratie personen) en de eigenwoningregeling, er in principe maar één
woning als hoofdverblijf kan dienen. Dit geldt voor alle situaties die door de heer
Omtzigt eerder zijn genoemd. Indien de koper in dit voorbeeld bovenstaande vragen
zou beantwoorden met het adres van de recreatiewoning en zich hier ook inschrijft,
dan gebruikt hij de recreatiewoning hoogstwaarschijnlijk als hoofdverblijf.”
Uit de brief van de Stas blijkt dat ook voor de ovb slechts één woning als
hoofdverblijf kan dienen. Een verschil met de ib-regeling is dat fiscale partners voor
de ovb wel elk een eigen woning (ander hoofdverblijf) kunnen verkrijgen.
Hoofdverblijf
Artikel 14 WBR
1. De belasting bedraagt 8 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de
verkrijging door een natuurlijk persoon van een woning of rechten
waaraan deze is onderworpen, of van rechten van lidmaatschap als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste
rechten betrekking hebben op een woning, als de verkrijger de woning na
de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit
overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk,
stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring.
3. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de
VERTROUWELIJK Pagina 2 van 8
1703725 00087

1703725verkrijging door een wooncoöperatie als bedoeld in artikel 18a van de
Woningwet van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen, of
van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, als
die wooncoöperatie de woning verkrijgt van een toegelaten instelling als
bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, mits de vervreemding door de
toegelaten instelling, die krachtens artikel 27 aanhef, en eerste lid,
onderdeel a, van de Woningwet onderhevig is aan goedkeuring door de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is goedgekeurd in
het kader van een experiment als bedoeld in artikel 120a van die wet. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden
worden gesteld.
4, De belasting van 2 percent, genoemd in het tweede en derde lid, is niet van
toepassing op de verkrijging van economische eigendom of de verkrijging
van aandelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.
5. De belasting van 2 percent, genoemd in het tweede en derde lid, is
eveneens van toepassing op aanhorigheden die tot de woning behoren,
indien zij gelijktijdig met deze woning worden verkregen en dat
belastingtarief van toepassing is op die woning.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat een koppeling van een fiscale faciliteit
aan het gebruik van een woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf niet nieuw is.
Ook de hypotheekrenteaftrek eigen woning in de inkomstenbelasting is afhankelijk
van die voorwaarde. Dit betekent overigens niet dat alle bepalingen van de
eigenwoningregeling uit de Wet inkomstenbelasting 2001 één op één gelden voor
de overdrachtsbelasting. Aansluiting geldt voor het begrip “anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf”
Citaten uit de parlementaire geschiedenis:
“Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf» wordt aangesloten bij het
begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter staan» in de eigenwoningregeling
van artikel 3.111, eerste lid, aanhefenondera, van de Wet inkomstenbelasting
2001. Hier bij gaat het om een duurzaam eigen gebruik van de woning die de
verkrijger overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat.” Het
begrip «hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale levensplaats».**
“Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (hierna: AWR). Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar
zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen vande verkrijger
bevindt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de
persoonlijke en economische belangen van de verkrijger zich na de verkrijging van
de woning op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de verkrijger. Voor
een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden. Dit betekent
dat vakantiehuizen, pied-d-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen dat op
naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden aangemerkt.”
VERTROUWELIJK Pagina 3 van 8
00087

1703725“Binnen de eigenwoningregeling geldt als uitgangspunt dat een woning kan
kwalificeren als eigen woning als deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter
beschikking staat. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de woning bedoeld
moet zijn om duurzaam te dienen als hoofdverblijf voor de belastingplichtige of
personen die behoren tot zijn huishouden. Eenzelfde intentie tot het duurzaam
dienen als hoofdverblijf voor de verkrijger van een woning is vanaf 2021 aan de orde
binnen de overdrachtsbelasting. Daarbij dient in beginsel ook feitelijk gevolg te
worden gegeven aan die intentie door de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk
te gaan bewonen, voor in beginsel een minimale periode van zes maanden. Een
dergelijke minimale duur aan het feitelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf
bewonen is binnen de eigenwoningregeling als zodanig niet van toepassing. Zo zijn
er bepaalde fictiebepalingen op basis waarvan een woning als eigen woning kan
kwalificeren zonder dat deze feitelijk als hoofdverblijf wordt bewoond. Bij het wel
feitelijk bewonen kan een kortere duur binnen de eigenwoningregeling ook.”
De beoordeling vindt achteraf (na een jaar) plaats door een onderzoek naar de
feiten en omstandigheden. Hiervoor zijn verschillende objectieve gegevens als
eerste aanknopingspunt beschikbaar, bijvoorbeeld:
-__de inschrijving door de verkrijger op het adres van de aangekochte woning
in de Basisregistratie Personen(hierna: BRP)
– het aanmerken van de aangekochte woningals eigen woning in de zinvan de
eigenwoningregeling in de aangifte inkomstenbelasting;
– het woningbezit van de verkrijger in het Kadaster;
– de voorwaarden waaronder de verkrijger een geldlening is aangegaan bijeen
bank.
Bij natuurlijke personen die na de overdracht de woning minimaal een half jaar
daadwerkelijk als hoofdverblijf hebben gebruikt, zal het verlaagde tarief of de
startersvrijstelling in beginsel van toepassing zijn.
Artikel 4 lid 1 AWR:
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
Vakstudie O1 Algemeen deel, aantekening 2.2:
Hierbij moeten alle van belang zijnde omstandigheden in aanmerking worden
genomen. De eventueel in aanmerking komende omstandigheden zijn niet allemaal
van gelijk belang. Een op zich zelf minder belangrijke kan echter van groot belang
worden omdat deze de doorslag kan geven.
De belangrijkste omstandigheid is uiteraard het al dan niet hebben van een
duurzame woongelegenheid, dus van een eigen of gehuurde woning waarin men,
— indien men een gezin heeft, met degenen die tot het gezin behoren — woont in
de gebruikelijke betekenis van dat woord.
Mogelijk relevante factoren:
– het al dan niet hebben van een gezin, en zoja, of dit de betrokkene heeft
gevolgd;
– het al dan niet in- onderscheidenlijk uitgeschreven zijn in het
bevolkingsregister;
VERTROUWELIJK Pagina 4 van 8
00087

1703725De inschrijving in het bevolkingsregister op zichzelf wijst niet uit waar iemand zijn
duurzame woongelegenheid heeft, doch het kan in geval van twijfel wel een
medebeslissende factor zijn.
HR 14 april 2017, nr. 15/02203, (concl. A-G Niessen), V-N 2017/24.8.
Belanghebbende en haar echtgenote hebben in 1975 een eigen woning gekocht.
Sinds 1 juni 2001 huren ze ook een woning in Belgié. Per 1 december 2001 laten zij
zich in Nederland uitschrijven en schrijven ze zich in Belgié in. Per 1 november 2004
schrijven ze zich weer in op hun oude adres in Nederland. Deze woning hebben ze
ook steeds aangehouden. Voor de jaren 2001 en 2002 doen ze allebei aangifte als
buitenlands belastingplichtigen. De inspecteur is echter van mening dat
belanghebbende en haar echtgenote Nederland in 2001 niet metterwoon hebben
verlaten en corrigeert daarom de aangiften. Daarbij baseert hij zich onder andere
op de volgende feiten en omstandigheden:
e Belanghebbende en haar echtgenote bezitten verschillende onroerende zaken in
Nederland;
eZe bezitten een schip dat zijn thuishaven heeft in Nederland, waarmee
belanghebbende ook meedoet aan wedstrijden in Nederland;
* lidmaatschappen van verenigingen in Nederland zijn aangehouden (onder andere
kerk-, politiek- en cultuur-gerelateerd);
e Abonnementen op verschillende Nederlandse kranten/tijdschriften, zoals NRC,
PZC en Het Parool;
*Het gebruik van diverse medische faciliteiten, zoals de apotheek, de
fysiotherapeut, tandheelkundige hulp, de aanschaf van contactlenzen bij de
contactlensspecialist en poliklinische behandelingen en het hebben van een
Nederlandse ziektekostenverzekering;
© Uit gebruik van gas, elektriciteit en water blijkt in de loop der jaren geen zodanige
daling na het vertrek naar België.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur belanghebbende terecht als
binnenlands belastingplichtige in de belastingheffing heeft betrokken en dat
belanghebbende fiscaal gezien zowel inwoner van Nederland als België is en dat zij
zowel in Nederland als in België over een duurzaam tehuis beschikt. Volgens de
rechtbank zijn de persoonlijke en economische betrekkingen met Nederland het
nauwst zijn, zodat belanghebbende zowel voor de toepassing van de Nederlandse
wetgeving als voor de toepassing van het belastingverdrag als inwoner van
Nederland moet worden aangemerkt. Hof Den Haag (MK |, 25 juni 2014, nr. BK-
12/00097 en BK-12/00098, V-N Vandaag 2014/1687) oordeelt eveneens
dat belanghebbende voor de toepassing van het verdrag als inwoner van Nederland
moet worden aangemerkt. Het hof overweegt daarbij dat uit de feiten valt af te
leiden dat zij met regelmaat verbleef in de Nederlandse woning. Ook merkt het hof
op dat uit het gebruik van gas, elektriciteit en water in de loop der jaren geen
zodanige daling na het vertrek naar België blijkt, dat dit er op duidt dat geen
gebruik meer is gemaakt van de woning in de jaren 2001 en 2002. Het hof bevestigt
de uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden
(art. 81 Wet RO).
HR3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:814, nr. 14/03867, V-N 2015/21.1.7.
VERTROUWELIJK Pagina 5 van 8
00087

1703725De Hoge Raad oordeelt dat de fysieke aanwezigheid weliswaar één van de
omstandigheden is die in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van
de normale verblijfplaats, maar het hof heeft terecht overwogen dat die
aanwezigheid niet doorslaggevend is.
VAKSTUDIE 01 Algemeen deel Aant. 2.2 Voor natuurlijke personen
De vraag waar iemand in fiscale zin zijn woonplaats heeft wordt naar de
omstandigheden beoordeeld. Hierbij moeten alle van belang zijnde
omstandigheden in aanmerking worden genomen. De eventueel in aanmerking
komende omstandigheden zijn niet alle van gelijk belang. Een op zich zelf minder
belangrijke kan echter van groot belang worden omdat zij de doorslag kan geven.
De belangrijkste omstandigheid is uiteraard het al dan niet hebben van een
duurzame woongelegenheid, dus van een eigen of gehuurde woning waarin men,
— indien men een gezin heeft, met degenen die tot het gezin behoren — woont in
de gebruikelijke betekenis van dat woord. Dat velen, die een woning of kamer
gemeubileerd hebben gehuurd of in pension zijn, eveneens geacht kunnen worden
aldus een duurzame woongelegenheid te hebben, spreekt vanzelf.
Twijfel omtrent de vraag waar iemand woont kan ontstaan indien iemand anders
dan voor zeer tijdelijk naar het buitenland vertrekt, zonder dat gezegd kan worden
dat hij Nederland voorgoed heeft verlaten en, omgekeerd, indien iemand die
anders dan voor zeer tijdelijk naar Nederland komt, zich niet voorgoed hier te lande
heeft gevestigd. Ook omtrent het tijdstip waarop men ophoudt hier te lande te
wonen onderscheidenlijk waarop men hier te lande woonplaats krijgt kan
onzekerheid bestaan.
In al deze gevallen zal moeten worden uitgemaakt of een voldoende duurzame
band met Nederland, welke het kenmerk van het wonen in de zin der wet uitmaakt,
niet is verbroken c.q. of zodanige duurzame band met Nederland is ontstaan c.q. op
welk tijdstip die band is verbroken of ontstaan.
Factoren welke bij de beoordeling van de vraag naar de duurzaamheid van de band
met Nederland van belang zijn, kunnen onder meer zijn:
— het al dan niet aanvaard hebben van een betrekking in het land (Nederland c.q.
het andere land) naar hetwelk men tijdelijk is vertrokken;
— het al dan niet hebben van een gezin, en zo ja, of dit de betrokkene heeft
gevolgd;
— het al dan niet aanhouden van een woning in het land (Nederland c.q. het
andere land) naar hetwelk men zal terugkeren;
— het al dan niet hebben van financiële banden met dat land;
— het al dan niet in- onderscheidenlijk uitgeschreven zijn in het bevolkingsregister;
— de wil hetzij om slechts korte tijd, hetzij om langere tijd in het land (Nederland
c.q. het andere land) naar hetwelk men tijdelijk vertrok, te verblijven;
— de nationaliteit.
In enkele uitspraken kwam naar voren dat het erom gaat of uit uiterlijk
waarneembare omstandigheden blijkt dat de banden van betrokkene met
Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het
duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.
De hiervóór opgesomde omstandigheden zullen in elk voorkomend geval tegen
elkaar moeten worden afgewogen om tot een beslissing te komen. In de regel zal
de beslissing niet op grond van een enkele omstandigheid kunnen worden
genomen. Zo zal bijvoorbeeld aan de nationaliteit in de regel slechts deze betekenis
VERTROUWELIJK Pagina 6 van 8
00087

1703725kunnen worden toegekend dat bij aanwezigheid van andere omstandigheden die in
de richting van een wonen hier te lande wijzen dit ten aanzien van een Nederlander
wat eerder aangenomen kan worden. Ook bijvoorbeeld een inschrijving in het
bevolkingsregister alleen kan geen beslissing geven omtrent de woonplaats; wel
kan een dergelijke inschrijving een hulpmiddel zijn bij de vaststelling daarvan.
Omgekeerd vormt ook het enkele feit van afschrijving uit het bevolkingsregister niet
zodanige omstandigheid dat daaruit met voorbijgaan van alle andere
omstandigheden zou moeten worden geconcludeerd dat iemand niet meer binnen
het Rijk woonachtig is.
Woonplaats voor Successiewet en voor premieheffing Volksverzekeringen
Volgens art. 2, vierde lid, Successiewet (oud) gold ook voor de toepassing van die
wet als hoofdregel dat de vraag waar iemand woont (of waar een rechtspersoon
gevestigd is) naar de omstandigheden wordt beoordeeld. In aant. 4 werden enkele
uitzonderingen op deze hoofdregel aangeduid. Niettemin kan kennisneming van de
jurisprudentie omtrent het woonplaatsbegrip in de Successiewet ook voor de
heffingswetten waarvoor art. 4 AWR geldt van belang zijn.
Heeft iemand een duurzame woongelegenheid hier te lande dan zal er in de regel
geen kwestie betreffende de fiscale woonplaats rijzen, ook niet wanneer het verblijf
hier te lande niet als permanent is bedoeld. De duurzame woongelegenheid kan
bestaan uit een eigen of gehuurde woning, maar onder omstandigheden ook uit
een al dan niet gemeubileerd gehuurde kamer. Ook degene die in pension is of in
een hotel verblijft kan onder bepaalde omstandigheden geacht worden daar zijn
duurzame woongelegenheid te hebben.
De inschrijving in het bevolkingsregister op zichzelf wijst niet uit waar iemand zijn
duurzame woongelegenheid heeft, doch het kan in geval van twijfel wel een
medebeslissende factor zijn.
Volgens de Hoge Raad moet het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringen op
dezelfde wijze worden uitgelegd als het fiscale woonplaatsbegrip. Er is sprake van
een woonplaats in Nederland als alle omstandigheden van het geval erop wijzen dat
er een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en
Nederland. Die band hoeft niet sterker te zijn dan met enig ander land, zodat de
mogelijkheid bestaat dat iemand zowel in Nederland als in een ander land woont in
de zin van art. 3 AKW, al zal dat zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen (HR
12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, nr. 12/02980, V-N 2013/26.13).
Het Hof van Justitie EU (HvJ EU) heeft geoordeeld dat het fiscale nadeel voortvloeit
uit de niet-discriminerende uitoefening door de twee betrokken lidstaten van hun
fiscale bevoegdheden. Het opleggen van een naheffingsaanslag is dus niet strijdig
met de vrijheid van vestiging (artikel 43 van het EG-Verdrag). Belanghebbende
wordt niet gediscrimineerd ten opzichte van andere zelfstandigen in Nederland.
Ook deze hebben namelijk BPM moeten betalen, hetzij ter zake van de registratie
van een motorrijtuig in het Nederlandse kentekenregister, hetzij ter zake van de
aanvang van het gebruik op het Nederlandse wegennet van een in een andere
lidstaat geregistreerd voertuig. De betrokken lidstaten hoeven hun eigen fiscale
stelsel niet aan te passen om de dubbele lasten op te heffen (zie HvJ EU 8 december
2011, nr. C-157/10, V-N 2011/66.27.1, Banco Bilbao Vizcaya, punt 39).
VERTROUWELIJK Pagina 7 van 8
00087

1703725Het Hof van Justitie EU (HvJ EU) heeft geoordeeld dat een tijdelijk verblijf als gevolg
van ziekte in een ander land niet afdoet aan de woonplaats elders wanneer het
gewone centrum van zijn belangen zich elders bevindt. Daarbij moeten alle
relevante feiten worden meegenomen en rekening worden gehouden met de wil
van belanghebbende zoals deze blijkt uit die feiten (HvJ EU, Vierde kamer, 5 juni
2014, nr. C-255/13, V-N 2014/36.8).
De Staatssecretaris van Financiën beantwoordt vragen van de Tweede Kamerleden
Van Nispen en Leijten (beiden SP) over de belastingplicht van voortvluchtige
criminelen. Hij is van mening dat een voortvluchtige crimineel die hier niet woont
en die hier geen inkomen heeft in Nederland geen belasting hoeft te betalen. Zoals
ieder ander is een voortvluchtige crimineel binnenlands belastingplichtig in zijn
woonland. Daarnaast kan een voortvluchtige crimineel, wederom zoals ieder ander,
buitenlands belastingplichtig zijn in het land waarin hij niet woont maar wel
inkomen geniet. Mensen zonder een duurzame band met Nederland kunnen dus
wel degelijk hier belastingplichtig zijn en belasting moeten betalen. De
staatssecretaris ziet geen aanleiding om specifiek voor voortvluchtige criminelen
inbreuk te maken op het woonplaatsbeginsel. Brief Staatssecretaris van Financiën
van 28 juni 2017 met antwoorden op Kamervragen over de belastingplicht van
voortvluchtige criminelen (V-N 2017/35.9).
VERTROUWELIJK Pagina 8 van 8
00087

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: