AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt besproken of het 2%-tarief en de startersvrijstelling van toepassing zijn bij de verkrijging van een tweede woning. Het blijkt dat slechts één woning als hoofdverblijf kan gelden, wat invloed heeft op de toepasselijkheid van de OVB-faciliteiten. Daarnaast kan er geen keuze gemaakt worden tussen twee woningen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Kennisgroepstandpunt 21-052-26 Hoofdverblijven?**
(artikel 14 lid 2 en 15 lid 1 letter p WBR)
**Feiten/aanleiding**
Eén van de voorwaarden die gelden voor toepassing van de faciliteiten die per 1 januari 2021 in de WBR zijn gewijzigd/ingevoerd, te weten: 1. het 2%-tarief en 2. de startersvrijstelling, is dat de verkrijger de verkregen woning (incl. aanhorigheden) als hoofdverblijf gaat gebruiken.
Gesteld dat A, die in dorp X een woning heeft die A als hoofdverblijf gebruikt (anders dan tijdelijk) en blijft gebruiken, een andere woning in dorp X verkrijgt die ook door hem gebruikt gaat worden (door de weeks hier en in de weekenden en vakanties daar).
a. Is dan het 2%-tarief van toepassing, kan de startersvrijstelling toepasselijk zijn?
b. Kan, net als voor de IH, een keuze worden gemaakt als iemand tegelijkertijd twee woningen verkrijgt (zonder samenvoeging)?
**Vraag**
a. Is dan het 2%-tarief van toepassing, kan de startersvrijstelling toepasselijk zijn?
b. Kan, net als voor de IH, een keuze worden gemaakt als iemand tegelijkertijd twee woningen verkrijgt (zonder samenvoeging)?
**Antwoord**
a. A kan slechts één woning als hoofdverblijf hebben. De OVB-faciliteiten kunnen op de verkrijging van een andere (bijvoorbeeld een tweede) woning alleen van toepassing zijn, als die andere woning voor de verkrijger gaat fungeren als zijn of haar hoofdverblijf en de eerder verkregen woning niet langer als hoofdverblijf aan te merken is.
Het antwoord op de vraag welke van de twee woningen als hoofdverblijf (de ‘centrale levensplaats’) wordt gebruikt, wordt dan bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden.
Als A verklaart dat de nieuwe woning als hoofdverblijf gebruikt gaat worden en de inspecteur dit betwist, rust de bewijslast bij A.
Beoordeling vindt plaats aan de hand van artikel 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Centraal staat daarbij de vraag: wat is het middelpunt van de persoonlijke — en economische belangen van A. Aanknopingspunten kunnen hierbij zijn:
– de inschrijving door de verkrijger op het adres van de aangekochte woning in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP)
– het aanmerken van de aangekochte woning als eigen woning in de zin van de eigenwoningregeling in de aangifte inkomstenbelasting;
– het woningbezit van de verkrijger in het Kadaster;
– de voorwaarden waaronder de verkrijger een geldlening is aangegaan bij een bank;
Wanneer iemand die al een (eigen of huur)woning heeft die hij of zij als hoofdverblijf gebruikt (hierna: ‘oude woning’) een andere woning (hierna ‘de nieuwe woning’) verkrijgt die hij als hoofdverblijf gaat gebruiken is het 2%-tarief van toepassing, ook als de oude woning wordt aangehouden voor eigen gebruik, bijvoorbeeld voor recreatiedoeleinden.
Blijft de oude woning echter in gebruik als hoofdverblijf dan is het 8% tarief van toepassing op de verkrijging van de nieuwe woning.
b. Nee, er kan geen keuze gemaakt worden.
**Beschouwing/ Toelichting**
In zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 9 november 2020. Kstk 35576, nr. 34) schrijft de staatssecretaris van Financiën:
“Daarbij moet opgemerkt worden dat, net als voor de inschrijving in de BRP (basisregistratie personen) en de eigenwoningregeling, er in principe maar één woning als hoofdverblijf kan dienen. Dit geldt voor alle situaties die door de heer Omtzigt eerder zijn genoemd. Indien de koper in dit voorbeeld bovenstaande vragen zou beantwoorden met het adres van de recreatiewoning en zich hier ook inschrijft, dan gebruikt hij de recreatiewoning hoogstwaarschijnlijk als hoofdverblijf.”
Uit de brief van de Stas blijkt dat ook voor de ovb slechts één woning als hoofdverblijf kan dienen. Een verschil met de ib-regeling is dat fiscale partners voor de ovb wel elk een eigen woning (ander hoofdverblijf) kunnen verkrijgen.
**Hoofdverblijf**
Artikel 14 WBR
1. De belasting bedraagt 8 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging door een natuurlijk persoon van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen, of van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring.
3. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging door een wooncoöperatie als bedoeld in artikel 18a van de Woningwet van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen, of van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, als die wooncoöperatie de woning verkrijgt van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, mits de vervreemding door de toegelaten instelling, die krachtens artikel 27 aanhef, en eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet onderhevig is aan goedkeuring door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is goedgekeurd in het kader van een experiment als bedoeld in artikel 120a van die wet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden worden gesteld.
4. De belasting van 2 percent, genoemd in het tweede en derde lid, is niet van toepassing op de verkrijging van economische eigendom of de verkrijging van aandelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.
5. De belasting van 2 percent, genoemd in het tweede en derde lid, is eveneens van toepassing op aanhorigheden die tot de woning behoren, indien zij gelijktijdig met deze woning worden verkregen en dat belastingtarief van toepassing is op die woning.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat een koppeling van een fiscale faciliteit aan het gebruik van een woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf niet nieuw is. Ook de hypotheekrenteaftrek eigen woning in de inkomstenbelasting is afhankelijk van die voorwaarde. Dit betekent overigens niet dat alle bepalingen van de eigenwoningregeling uit de Wet inkomstenbelasting 2001 één op één gelden voor de overdrachtsbelasting. Aansluiting geldt voor het begrip “anders dan tijdelijk als hoofdverblijf”.
**Citaten uit de parlementaire geschiedenis:**
“Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf» wordt aangesloten bij het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter staan» in de eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij gaat het om een duurzaam eigen gebruik van de woning die de verkrijger overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat.” Het begrip «hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale levensplaats».
“Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de verkrijger bevindt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de verkrijger zich na de verkrijging van de woning op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de verkrijger. Voor een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden. Dit betekent dat vakantiehuizen, pied-à-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen dat op naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden aangemerkt.”
**VERTROUWELIJK**
**Pagina 3 van 8**
Geef een reactie