1703721

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt geconcludeerd dat de parkeergarages van Parkeergarage BV hoofdzakelijk dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken. Dit besluit is gebaseerd op de feitelijke werkzaamheden van de vennootschap en de relevante wetgeving.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
**MERLEVUM FEL K Corporate Dienst**
**Belastingdienst/Grote Ondernemingen/Zuid/kantoor Eindhoven Vaktechniek**
**5.1.2e**
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl

**Contactpersoon**
Kennisgroepstandpunt 21-052-21
Doeleis artikel 4 WBR bij verkrijging aandelen parkeergarage BV
5.1.2e

**Feiten**
– Parkeergarage BV exploiteert parkeergarages op eigen naam en voor eigen risico.
– De huidige dienstverlening in de parkeergarages X en Y wordt zonder exploitatierisico uitgevoerd door Beheerkantoor BV (hierna: B).
– Parkeergarage BV heeft hiervoor een beheerovereenkomst gesloten met B. Na overname van Parkeergarage BV wordt de dienstverlening uitbesteed aan A.
– Uit de jaarrekening volgt dat 99% van de omzet van Parkeergarage BV parkeergeld betreft.
– De huidige dienstverlening van Parkeergarage BV bestaat uit het volgende:
1. Parkeergarage BV biedt reeds de mogelijkheden om vooraf te bepalen waar je parkeert (met of zonder reservering en zekerheid van een parkeerplek), voor hoelang, hoeveel je betaalt en van welke services je gebruik wilt maken. Dit alles kan in veel gevallen in combinatie met bezoekdoel zoals theater, bioscoop, zakelijke afspraak, restaurant, recreatie, etc.
2. In de parkeergarage is elektrisch laden mogelijk, bevinden zich toiletten en is personeel aanwezig om assistentie te verlenen. De personele bezetting wordt geïntensiveerd op momenten dat het druk is in de parkeergarage en wordt afgeschaald op momenten dat er geen klanten aanwezig zijn (hoog- en laagseizoen en piek- en daluren).
3. De parkeergarages zijn 24/7 toegankelijk voor de parkerende consument. Door camerabewaking via de eigen controleroom en slimme toegangssystemen wordt veiligheid gegarandeerd. Weliswaar niet in juridische zin (een exploitant is niet aansprakelijk voor molest, agressie, etc.) maar wel feitelijk (een exploitant doet er alles aan om het gevoel van veiligheid te bevorderen door de kans op molest, etc. tot een minimum te beperken). In alle parkeergarages kan cashless worden betaald.
4. Parkeergarage BV is reeds een van de mobiliteitspartners van de gemeente Z. Bereikbaarheid, tariefbeleid en parkeerbalans worden op elkaar afgestemd waardoor de bereikbaarheid van Z geoptimaliseerd wordt.
5. De parkeergarages zijn allemaal op loopafstand van goed openbaar vervoer en kunnen dienstdoen als verkeersknooppunt voor andere vervoersmodaliteiten zoals car-sharing, auto- en aanhangwagenverhuur, e-scooter, e-bike, fiets. Deze dienstverlening is niet aanwezig in de parkeergarages maar wel deels direct in de omgeving georganiseerd door derden met verwijzing naar deze aanbieders.

**Vraag**
Zijn de parkeergarages van Parkeergarage BV, als geheel genomen, op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar geheel of hoofdzakelijk dienstbaar aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken?

**Antwoord**
Ja, de parkeergarages van Parkeergarage BV zijn of waren, als geheel genomen, op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar geheel of hoofdzakelijk dienstbaar aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken.

**Beschouwing/Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
**Wettelijk kader**
Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, WBR luidt:
1. Als zaken als bedoeld in artikel 2 worden mede aangemerkt (fictieve onroerende zaken):
a. aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken;

De wet geeft geen nadere criteria voor de beoordeling van de vraag of onroerende zaken hoofdzakelijk dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die zaken.

**Wetsgeschiedenis**
De regeling van fictieve onroerende zaken gaat terug tot 1933 toen zij ingevoerd werd als onderdeel van de Registratiewet 1917, waarin destijds de overdrachtsbelasting was geregeld. Zij was bedoeld als anti-misbruikmaatregel tegen tussenschuiving van rechtspersonen gevolgd door aandelenoverdracht.

Onder de oorspronkelijke regeling was het mogelijk heffing te voorkomen door aannemelijk te maken dat de aandelentransactie niet wezenlijk een onroerendezaaktransactie was. Ter toelichting werd in de Aanschrijving het volgende opgemerkt:
“Bij de beoordeling van de vraag of een z.g. verdachte vennootschap aanwezig is, zal in het algemeen het criterium kunnen gelden of het bezit van de aandelen der vennootschap al dan niet voornamelijk zijn betekenis ontleent aan het feit, dat daarmede in wezen de beschikking of de mede-beschikking wordt verkregen over het tot het vermogen van de vennootschap behoorend onroerend goed. Die betekenis zal het aandeelenbezit vrijwel nimmer hebben bij vennootschappen, die haar onroerende goederen geheel of althans grootendeels bezigen ter uitoefening van eenig bedrijf, hetwelk niet bestaat in den handel in- of de exploitatie van onroerend goed. (…)”

In 1970 werd de Registratiewet 1917 vervangen door twee wetten: de Wet op belastingen van Rechtsverkeer 1970 en de Registratiewet 1970. Dit was aanleiding om de regeling van fictieve onroerende zaken te heroverwegen.

De regering verwees met instemming naar de hiervoor genoemde Aanschrijving en het hotelbedrijf werd expliciet genoemd als voorbeeld van een ‘onverdachte’ configuratie.

In 1972 werd de doeleis ook daadwerkelijk ingevoerd door opneming in de tekst van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, WBR: naast vastgoedbezit van het lichaam en een aanmerkelijk belang in het lichaam werd doorslaggevend dat het lichaam beoogde om vastgoed te verkrijgen, te vervreemden of te exploiteren.

**Conclusie**
Het antwoord op de vraag wanneer andersoortige dienstverlening wel of niet op de voorgrond staat, zal in het licht van de bedoeling van art. 4 WBR beantwoord moeten worden aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden en de verkeersopvattingen dienaangaande.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *