AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag wanneer iemand tot het huishouden van de verkrijger behoort. Het begrip 'huishouden' is niet wettelijk gedefinieerd, en de beoordeling is casuïstisch, waarbij de gezamenlijke activiteiten en het gebruik van de woning centraal staan.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**memo Kennisgroepstandpunt 21-052-14 Huishouden**
**(artikel 14 lid 2 en 15 lid 1 letter p WBR)**
**Feiten/aanleiding**
Eén van de voorwaarden voor toepassing van de faciliteiten die per 1 januari 2021 in de WBR zijn gewijzigd/ingevoerd, te weten: 1. het 2%-tarief en 2. de startersvrijstelling, is dat een woning (incl. aanhorigheden) wordt verkregen die de verkrijger na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. De faciliteiten gelden ook als de verkrijger de woning gaat gebruiken met personen die tot het huishouden van de verkrijger behoren. De faciliteiten gelden daarentegen niet voor die gedeelten van de woning die worden gebruikt door anderen dan de verkrijger en personen die tot zijn/haar huishouden behoren. Wanneer behoort iemand tot het huishouden van de verkrijger? Wanneer zijn personen huisgenoten van elkaar?
**Vraag**
Wanneer behoort iemand tot het huishouden van de verkrijger?
**Antwoord**
a. In de wet noch de parlementaire geschiedenis is een definitie gegeven van de term ‘huishouden’. Ook in andere wetgeving, bijvoorbeeld de bijstandswet, ontbreekt een omschrijving. Een scherpe grens valt niet te trekken. Het antwoord is daarom casuistisch. Personen die behoren tot het huishouden van de verkrijger worden hierna aangeduid als de ‘huisgenoten’ van de verkrijger.
b. Om te beginnen kan iemand alleen een huisgenoot van de verkrijger zijn, als die persoon verblijft in (gebruik maakt van) de woning van de verkrijger (voordeurdelers, zelfde adres, wonen ‘onder een dak’).
**Voorbeeld:** A verkrijgt een pand met een aparte boven- en benedenwoning. A gaat wonen in het (zelfstandige) benedenhuis, B in de (zelfstandige) bovenwoning. B is geen huisgenoot van A, ook niet als B een kind is van A. Er zijn dan twee woningen en twee (gescheiden) huishoudens.
c. Typerend voor een huishouden is dat de leden ervan enigerlei mate activiteiten ontplooien om het huishouden in stand te houden en dat zij de gehele woning als hun (gezamenlijke) woning beschouwen. Een gezamenlijke huishoudpot (bankrekening) wijst eerder in de richting van één huishouden dan van gescheiden huishoudens.
d. Woont de verkrijger met iemand anders op hetzelfde adres in dezelfde woning en voeren partijen met elkaar een gemeenschappelijke huishouding, dan is sprake van één huishouden. Van een gemeenschappelijke huishouding is sprake als de boodschappen (t.b.v. schoonmaak, maaltijden e.d.) voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de woning bestemd zijn (iedereen heeft daar voordeel van).
e. Niet relevant is wie de boodschappen betaalt, wie de schoonmaakwerkzaamheden verricht of de maaltijden bereidt. Doorgaans zullen partijen bepaalde gedeelten van de woning gezamenlijk gebruiken (bijvoorbeeld woonkamer, toilet of badkamer), maar noodzakelijk is dat niet. Wel is van belang of er enig huiselijk verkeer (omgang) tussen de huisgenoten is (bijvoorbeeld gezamenlijk de maaltijden gebruiken en/of de woonkamer gebruiken e.d.).
f. Er kan van uitgegaan worden dat bloed- en aanverwanten van de verkrijger (in het bijzonder de partner, kinderen en ouders van de verkrijger) huisgenoten zijn van de verkrijger (mits zij dezelfde woning delen).
g. Als de (schoon)ouders hun woning aan een (schoon)kind overdragen onder voorbehoud door de ouders van een recht van gebruik van een bepaald gedeelte van de woning, bijvoorbeeld een zit-slaapkamer op de begane grond, al dan niet met eigen badkamer (‘en suite‘), maar zonder eigen keuken en eigen ingang (voordeur), dan kan worden aanvaard dat ook de ouders behoren tot het huishouden van de verkrijger, ook als de ouders daarvoor een financiële bijdrage betalen.
h. De verkrijger die een deel van de woning gaat verhuren (bijvoorbeeld als B&B of aan studenten in een zakelijke relatie, zonder gemeenschappelijke huishouding) gebruikt dit deel niet zelf en de huurders kunnen ook niet als huisgenoten worden aangemerkt. Voor dat deel zijn de faciliteiten dus niet van toepassing.
**Beschouwing/ Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Het begrip huishouden (toepassing artikel 14 lid 2 en artikel 15-1-p WBR)
Op tal van plaatsen komt in de PG van de Wet diff. OVB de term ‘huishouden’ voor. Onder andere:
– Kopers die samen een huis kopen worden samen beschouwd als startend huishouden.
– Binnen de eigenwoningregeling geldt als uitgangspunt dat een woning kan kwalificeren als eigen woning als deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de woning bedoeld moet zijn om duurzaam te dienen als hoofdverblijf voor de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden. Eenzelfde intentie tot het duurzaam dienen als hoofdverblijf voor de verkrijger van een woning is vanaf 2021 aan de orde binnen de overdrachtsbelasting.
Uit de laatste passage blijkt dat het 2% tarief en de startersvrijstelling ook van toepassing kunnen zijn als iemand voor 100% een woning verkrijgt en daarin gaat wonen (gebruik als duurzaam hoofdverblijf) samen met anderen, mits die tot zijn of haar huishouden behoren.
In de regel zullen in één woning wonende familieleden of personen die een andere persoonlijke band met elkaar hebben samen een huishouden vormen. Wanneer personen met elkaar een zakelijke band hebben (zoals bij kamerverhuur aan studenten) valt in de regel geen gezamenlijke huishouding aan te nemen. Het feit dat huur wordt betaald is niet doorslaggevend, maar vormt wel een sterke aanwijzing dat iemand niet tot eens anders huishouden behoort.
Een kind van gescheiden ouders dat afwisselend bij de ene ouder of de andere ouder woont behoort tot twee huishoudens.
**Enige rechtspraak (begrip huishouden)**
RvS 23-1-2019, ECLI:NL:RVS:2019:192
het verhuren van kamers aan afzonderlijke personen kan niet worden beschouwd als een huishouden.
Rb. Haarlem 17 juli 2009, nr. AWB 08/7272, LIN BJ3500.
De Wet IB 2001 omschrijft het begrip ‘huishouding voeren met geen ander’ uit de wettelijke bepaling van de alleenstaande ouderkorting niet. Het begrip is overgenomen uit de Wet IB 1964. Belanghebbende moet op grond van de wetsgeschiedenis van de Wet IB 1964 aantonen dat zij buiten de relatiesfeer op zuiver commerciële grondslag zelf voorziet in huisvesting en de schaalvoordelen verbonden aan het voeren van een gemeenschappelijke huishouding mist. Belanghebbende maakt het niet voeren van een gezamenlijke huishouding voldoende aannemelijk met het overleggen van de huurovereenkomst met de inwonende, de zelfstandige beschikkingen zorgtoeslag en de zelfstandige uitvaartpolissen. Er is verder kennelijk geen sprake van een gezamenlijke huishoudpot. Bovendien is het huurbedrag dat zij aan de inwonende persoon vraagt beperkt gezien de beperkte huur die ze zelf voor de woning betaalt en het beperkte gebruik van de woning door de huurder. Dat belanghebbende geen eigen slaapkamer heeft en kennelijk zelf in de woonkamer moet slapen, maakt dit niet anders. Belanghebbende heeft recht op de alleenstaande ouderkorting.
Geef een reactie