1703715

AI-samenvatting

Dit document behandelt de aansluiting van de begrippen huishouden en hoofdverblijf bij de overdrachtsbelasting in relatie tot de Wet IB 2001. De conclusie is dat de rechtspraak omtrent de inkomstenbelasting niet direct van toepassing is op de overdrachtsbelasting, maar dat er mogelijk wel aansluiting kan worden gezocht voor het bepalen van standpunten.

Kennisgroepstandpunt

1703715Belastingdienst
VERTROUWELIJK
Belastingdienst/
Kennisgroepstandpunt 21-052-13 (anders dan tijdelijk
als hoofdverblijf- aansluiten bij de IH?)memo
Feiten/aanleiding
Artikel 3.111. Eigen woning
1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
eigen woning: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of
woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet,Corporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst. nl
Contactpersoon
5.1.28
Datum
20 september 2021
Versienummer
1.0
Behandeld door
of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe 5.1.2e
behorende aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige of personen die
behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking kopie aan
staat op grond van: (…)
5.1.2e
Vraag
In hoeverre kan, wat betreft de begrippen huishouden en hoofdverblijf, voor de
overdrachtsbelasting worden aangesloten bij de wetgeving en/of de rechtspraak
van de Hoge Raad (HR) gewezen voor toepassing van de Wet IB 2001?
Antwoord
De rechtspraak die betrekking heeft op de IH is niet rechtstreeks van toepassing op
vragen die rijzen in het kader van de heffing van de overdrachtsbelasting. Wel kan
daarbij wellicht aansluiting worden gezocht om in voorkomende gevallen tot een
standpunt te komen.
Beschouwing/ Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van
het antwoord)
In de parlementaire stukken van de Wet differentiatie overdrachtsbelasting wordt
de Wet IB 2001 slechts genoemd in de volgende context (voor zover relevant voor
de term ‘anders dan tijdelijk als hoofdverblijf’):
MvT: 35 576, nr. 3, p. 21:
“Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf» wordt aangesloten bij het
begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan» inde
eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef enonder a, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Hierbij gaat het om een duurzaam eigen gebruik van de woning die de verkrijger
overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat.*° Het begrip
«hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale levensplaats».”
VERTROUWELIJKBijlage
Pagina 1 van 6
00084

1703715Waar een belasting- plichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (hierna: AWR). Het gaat daarbij om hetantwoordop de vraag waar
zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen vande verkrijger
bevindt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de
persoonlijke en economische belangen van de verkrijger zich na de verkrijging van
de woning op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de verkrijger. Voor
een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden. Dit betekent
dat vakantiehuizen, pied-à-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen dat op
naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden aangemerkt.
Voor onroerende zaken die naar hun aard gedeeltelijk zijn bestemd voor bewoning
en gedeeltelijk voor andere doeleinden dan bewoning (bijvoorbeeld
bedrijfsdoeleinden) en deze gedeelten splitsbaar zijn, geldt dat uitsluitend op de
waarde van het deel dat vaar bewoning is bestemd én dat anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf wordt gebruikt, het verlaagde tarief kan worden toegepast. Als de
onroerende zaak qua oppervlakte voor 90% bestemd is voor bewoning en anders
dan tijdelijk als hoofdverblijf wordt gebruikt, kan voor de verkrijging van de gehele
onroerende zaak het verlaagde tarief worden toegepast.”
De eigenwoningregeling in de IB
De eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting heeft blijkens artikel 3.111, lid 1,
Wet IB 2001 betrekking op:
een (een gedeelte van een) gebouw dat de belastingplichtige of personen die
behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking
staat op grond van:
a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van
lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de
belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de
belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de
belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat;
b. een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik
dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking
tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op
hem drukken.
Uitbreiding bereik (verhuisregeling):
‘Leeg en te koop’ lid 2:
Een woning wordt voor de periode dat deze in het kalenderjaar leeg staat mede
aangemerkt als eigen woning indien de woning de belastingplichtige in het
kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren als eigen woning als bedoeld
in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en hij aannemelijk maakt dat de
woning bestemd is voor verkoop.
‘Aangekocht en leeg of in (ver)bouwfase’ lid 3:
Een woning wordt mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige
aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend
bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren hem
als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan. Voor de
VERTROUWELIJK Pagina 2 van 6
00084

toepassing van de eerste volzin wordt onder een woning in aanbouw mede
verstaan een bouwkavel ter zake waarvan concrete stappen zijn gezet voor het in
gang zetten van bouwkundige werkzaamheden voor de realisatie van een eigen
woning.
ter beschikking stellen aan derden
In een tweetal gevallen van (gedeeltelijk) ter beschikking stellen aan derden blijft de
woning wel onder de eigenwoningregeling vallen. In beide situaties moet nog
steeds sprake zijn van een hoofdverblijf voor belastingplichtige!
Tijdelijke verhuur, geregeld in artikel 3.111, lid 7 IB2001 juncto artikel 3.113 IB2001
Kamerverhuur, geregeld in artikel 3.114 IB2001.
De woning moet dus voor belastingplichtige
– (lid 1) een hoofdverblijf zijn, of
– (lid 2) leeg en te koop staan en hoofdverblijf zijn geweest, of
– (lid 3) leeg staan of in aanbouw zijn en hoofdverblijf gaan worden.
Een woning waarin slechts enig meubilair staat dan wel waarin uitsluitend een
zogenoemde kraakwacht verblijft, wordt als leegstaand aangemerkt. De (al dan
niet om niet) verhuurde woning wordt niet als leegstaand aangemerkt.
{commentaar 3.111, lid 3, aantekening 4.1)
Voor de overdrachtsbelasting is ‘anders dan tijdelijk’ in de parlementaire
geschiedenis ingevuld als een periode van ten minste zes maanden’.
In principe kan je na de eerste zes maanden doen en laten wat je wil met de
woning, zonder dat dat consequenties heeft voor het toegepaste verlaagde tarief
c.q. startersvrijstelling. In bepaalde evidente misbruiksituaties heeft de inspecteur
nog wel de mogelijkheid om een naheffingsaanslag op te leggen.
Dit in tegenstelling tot de inkomstenbelasting. Voor de inkomstenbelasting wordt
gedurende de gehele eigendomsperiode per tijdvak (kalenderjaar) bepaald of de
woning in dat jaar onder de eigenwoningregeling valt en/of sprake is van een
‘rechtsgevolg’,
Verschil tussen tijdelijke verhuur en kamerverhuur:
– duur van de verhuur; kamerverhuur is niet voor korte duur.
Vakstudie: commentaar op artikel 3.114 IB2001, aantekening 2.5
De vrijstelling voor inkomsten uit kamerverhuur is niet van toepassing indien er
sprake is van het voor korte duur ter beschikking stellen van woonruimte. Dat
betekent dat verhuur voor korte duur of seizoengebonden verhuur niet onder de
regeling valt. Deze vormen van verhuur kunnen wel onder art. 3.113 Wet IB
2001 vallen. Tijdens de parlementaire behandeling van de voorloper van art.
3.114, namelijk art. 26, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 1964, is nader op deze
problematiek ingegaan.
Niet duidelijk is hoe het criterium “voor korte duur” precies moet worden
ingevuld. Volgens de staatssecretaris van Financiën en A-G Niessen ziet dit
criterium in ieder geval op de verhuur voor periodes van een of twee maanden.
1 Kamerstukken II, 2020-2021, 35 576, nr. 3 (MvT) 82.2, blz 12 en
artikelsgewijze toelichting op artikel 13, blz 20
VERTROUWELIJK Pagina 3 van 6
1703715 00084

1703715- verhuurd object; kamerverhuur kan alleen betrekking hebben op een
woonruimte, die geen zelfstandige woning vormt.
Tijdelijke verhuur
e _AirBNB/vakantieverhuur e.d. > rechtsgevolg in de IH: 70% van de
huuropbrengst wordt belast.
e De situatie van voortgezet gebruik —al dan niet om niet— door de verkoper, leidt
voor de IH gedurende dat voortgezette gebruik nog niet tot een eigenwoning,
omdat die woning dan nog geen hoofdverblijf is of is geweest voor de koper. >
‘rechtsgevolg’ in de IH: De woning valt in box 3.
Tijdelijke verhuur is dus niet zonder rechtsgevolg in de inkomstenbelasting; alleen
als de woning al hoofdverblijf was, dan blijft de woning hoofdverblijf tenzij
belastingplichtige in die periode een ander hoofdverblijf heeft’.
Vakstudie: commentaar op artikel 3.111, lid 7 IB2001, aantekening 8
Bij tijdelijke leegstand van de woning (bijvoorbeeld wegens vakantie of kortdurende
werkzaamheden in het buitenland) blijft de eigenwoningregeling van toepassing.
Van doorslaggevend belang daarbij is dat de woning niet het karakter van
hoofdverblijf verliest. Zo zal een woning die tijdelijk ter beschikking wordt gesteld
aan derden voorafgaand aan de eigen bewoning in beginsel niet onder het
eigenwoningregime vallen, omdat de woning —ook afgezien van de tijdelijke
terbeschikkingstelling — nog geen hoofdverblijf is.
Het enige rechtsgevolg dat de overdrachtsbelasting kent, is het toepassen van het
algemeen tarief.
Kamerverhuur
Het moet gaan om een woonruimte die deel uitmaakt van de eigenwoning van
belastingplichtige (zowel belastingplichtige als de kamerhuurder moeten op het
adres ingeschreven staan in de BRP) en het verhuurde gedeelte mag geen
zelfstandige woning zijn.
Voor de inkomstenbelasting kan kamerverhuur zonder rechtsgevolg zijn zolang de
opbrengst onder de grens van de vrijstelling valt. € 1 meer opbrengst dan het
vrijstellingsbedrag betekent dat het verhuurde gedeelte in box 3 valt.
Voor de overdrachtsbelasting is bepaald dat als maximaal 10% van de oppervlakte
van de woning wordt verhuurd, dit de toepassing van de
startersvrijstelling/verlaagde tarief niet doet vervallen. De hoogte van de huursom
is voor de overdrachtsbelasting niet relevant. Meer dan 10% oppervlakte verhuurd
betekent dat op het verhuurde gedeelte het algemeen tarief van toepassing is.
Voor beide middelen is vereist dat de woning hoofdverblijf is van belastingplichtige.
Samengevat:
De heffing van overdrachtsbelasting en inkomstenbelasting met betrekking tot een
‘eigenwoning-hoofdverblijf’ is verschillend. Voor de overdrachtsbelasting is slechts
? ECLI:NL:RBZWB:2020:5148
VERTROUWELIJK Pagina 4 van 6
00084

1703715sprake van één belastbaar feit (de verkrijging) met een referentieperiode van in
beginsel zes maanden, terwijl voor de inkomstenbelasting gedurende de
eigendomsperiode eigenlijk ieder kalenderjaar sprake is van een belastbaar feit en
in geval van aankoop/verkoop een referentieperiode van het lopende kalenderjaar
met de daaropvolgende/daaraan voorafgaande drie jaar.
Ook is voor de inkomstenbelasting eerder sprake van een woning in aanbouw, dan
voor de overdrachtsbelasting.
In de inkomstenbelasting zijn verschillende rechtsgevolgen mogelijk (bijtelling
inkomsten in box 1 of verplaatsen verhuurd gedeelte/object naar box 3) en de
verplaatsing naar box 3 is niet per definitie onomkeerbaar voor een volgend
kalenderjaar.
De overdrachtsbelasting kent maar één rechtsgevolg, nl. toepassen van het
algemeen tarief (8%).
e Tijdelijke verhuur is niet zonder rechtsgevolgen voor de IH. Aansluiten bij de IH
betekent mi. dan ook rechtsgevolgen voor de OVB. Alleen de rechtsgevolgen
zijn niet gelijk.
® Kamerverhuur kan zonder rechtsgevolg voor beide middelen, maar het
criterium is niet gelijk. Voor de IH is de opbrengst bepalend, voor de OVB de
verhuurde oppervlakte. Als niet wordt voldaan aan de respectieve criteria, dan
is het rechtsgevolg wel vergelijkbaar.
Rechtspraak
HR 18 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1448:
2.4.1
In artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 is — voor zover van belang — bepaald dat onder
eigen woning wordt verstaan een gebouw, met de daartoe behorende
aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf ter beschikking staat. In deze zaak is niet in geschil dat het tuinhuis
een aanhorigheid is bij de woning. Dat behoort dus tot de eigen woning als bedoeld
in deze bepaling.
2.4.2
Artikel 3.111, lid 7, Wet IB 2001 bepaalt dat het tijdelijk ter beschikking stellen van
de woning aan derden daaraan niet het karakter van hoofdverblijf ontneemt.
Omtrent die bepaling is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt:
“Het vierde lid regelt dat een woning die door de belastingplichtige tijdelijk aan
derden ter beschikking is gesteld, bijvoorbeeld tijdens een vakantie, toch als eigen
woning voor de belastingplichtige wordt aangemerkt door aan die woning het
karakter van hoofdverblijf gedurende die periode niet te ontnemen (voetnoot 1
Hoge Raad: Kamerstukken || 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 146).”
2.4.3
VERTROUWELIJK Pagina 5 van 6
00084

Aan die intentie van de wetgever om geen gevolgen voor de toepassing van de
eigenwoningregeling te verbinden aan de tijdelijke terbeschikkingstelling van een
eigen woning aan derden, zou onvoldoende recht worden gedaan indien zou
worden aanvaard dat de tijdelijke terbeschikkingstelling van een gedeelte van of
aanhorigheid bij een eigen woning aan derden tot een ander gevolg zou leiden dan
de tijdelijke terbeschikkingstelling van de gehele woning. Daarom moet ervan
worden uitgegaan dat tijdelijke terbeschikkingstelling van een eigen woning of een
gedeelte van, dan wel aanhorigheid bij, een eigen woning aan die woning niet het
karakter van eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 ontneemt.
Voor die gehele woning blijft in die perioden gelden dat zij geacht wordt anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan aan de belastingplichtige of aan tot
diens huishouding behorende personen. Het oordeel van het Hof dat het tuinhuis
door de tijdelijke verhuur slechts tijdelijk als hoofdverblijf aan belanghebbende ter
beschikking stond en dat Afdeling 3.6 van de Wet IB 2001 niet op dat tuinhuis van
toepassing is, berust dan ook op een onjuiste rechtsopvatting.
2.4.4
Artikel 3.113 Wet IB 2001 bepaalt dat met betrekking tot de eigen woning die
tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden, het ingevolge artikel 3.112 Wet IB
2001 als voordelen uit eigen woning in aanmerking te nemen bedrag wordt
vermeerderd met 70 procent van de voordelen ter zake van het ter beschikking
stellen. Omtrent deze bepaling is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt
(voetnoot 2 Hoge Raad: Kamerstukken Il 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 147):
“Dit artikel bevat de regeling voor tijdelijke verhuur van de eigen woning van artikel
42a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De regeling is van
belang voor woningen die normaliter hoofdverblijf zijn maar bijvoorbeeld door
verblijf in het buitenland dan wel tijdens de vakantie tijdelijk aan derden, zijn
verhuurd.”
2.4.5
Zowel artikel 3.113 Wet IB 2001 als artikel 3.111, lid 7, Wet IB 2001 betreft volgens
de tekst expliciet en uitsluitend de gevolgen van het tijdelijk ter beschikking stellen
van de eigen woning aan derden. De bewoordingen van beide bepalingen en de
toelichtingen daarop in de parlementaire geschiedenis komen grotendeels overeen.
Op grond van een en ander moet worden aangenomen dat de wetgever heeft
beoogd dat zij beide zoveel mogelijk in dezelfde gevallen van toepassing zijn.
Hetgeen in rechtsoverweging 2.4.3 is geoordeeld omtrent de gevolgen van tijdelijke
verhuur van het tuinhuis brengt dan mee dat ook artikel 3.113 Wet IB 2001 op die
verhuur van toepassing is zodat terecht 70 procent van de huurinkomsten tot het
inkomen uit werk en woning is gerekend. De middelen slagen.”
VERTROUWELIJK Pagina 6 van 6
1703715 00084

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: