1703715

AI-samenvatting

Dit document behandelt de aansluiting van de begrippen huishouden en hoofdverblijf bij de overdrachtsbelasting in relatie tot de Wet IB 2001. De conclusie is dat de rechtspraak omtrent de inkomstenbelasting niet direct van toepassing is op de overdrachtsbelasting, maar dat er mogelijk wel aansluiting kan worden gezocht voor het bepalen van standpunten.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1703715**

**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/ Kennisgroepstandpunt 21-052-13 (anders dan tijdelijk als hoofdverblijf- aansluiten bij de IH?) memo**

**Feiten/aanleiding**
Artikel 3.111. Eigen woning
1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van: (…)

**Vraag**
In hoeverre kan, wat betreft de begrippen huishouden en hoofdverblijf, voor de overdrachtsbelasting worden aangesloten bij de wetgeving en/of de rechtspraak van de Hoge Raad (HR) gewezen voor toepassing van de Wet IB 2001?

**Antwoord**
De rechtspraak die betrekking heeft op de IH is niet rechtstreeks van toepassing op vragen die rijzen in het kader van de heffing van de overdrachtsbelasting. Wel kan daarbij wellicht aansluiting worden gezocht om in voorkomende gevallen tot een standpunt te komen.

**Beschouwing/ Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
In de parlementaire stukken van de Wet differentiatie overdrachtsbelasting wordt de Wet IB 2001 slechts genoemd in de volgende context (voor zover relevant voor de term ‘anders dan tijdelijk als hoofdverblijf’):
MvT: 35 576, nr. 3, p. 21:
“Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf» wordt aangesloten bij het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan» in de eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij gaat het om een duurzaam eigen gebruik van de woning die de verkrijger overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat. Het begrip «hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale levensplaats».”

Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de verkrijger bevindt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de verkrijger zich na de verkrijging van de woning op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de verkrijger. Voor een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden. Dit betekent dat vakantiehuizen, pied-à-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen dat op naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden aangemerkt.

Voor onroerende zaken die naar hun aard gedeeltelijk zijn bestemd voor bewoning en gedeeltelijk voor andere doeleinden dan bewoning (bijvoorbeeld bedrijfsdoeleinden) en deze gedeelten splitsbaar zijn, geldt dat uitsluitend op de waarde van het deel dat voor bewoning is bestemd én dat anders dan tijdelijk als hoofdverblijf wordt gebruikt, het verlaagde tarief kan worden toegepast. Als de onroerende zaak qua oppervlakte voor 90% bestemd is voor bewoning en anders dan tijdelijk als hoofdverblijf wordt gebruikt, kan voor de verkrijging van de gehele onroerende zaak het verlaagde tarief worden toegepast.

**De eigenwoningregeling in de IB**
De eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting heeft blijkens artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 betrekking op:
een (een gedeelte van een) gebouw dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat;
b. een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken.

**Uitbreiding bereik (verhuisregeling):**
‘Leeg en te koop’ lid 2:
Een woning wordt voor de periode dat deze in het kalenderjaar leeg staat mede aangemerkt als eigen woning indien de woning de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en hij aannemelijk maakt dat de woning bestemd is voor verkoop.
‘Aangekocht en leeg of in (ver)bouwfase’ lid 3:
Een woning wordt mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder een woning in aanbouw mede verstaan een bouwkavel ter zake waarvan concrete stappen zijn gezet voor het in gang zetten van bouwkundige werkzaamheden voor de realisatie van een eigen woning.

**ter beschikking stellen aan derden**
In een tweetal gevallen van (gedeeltelijk) ter beschikking stellen aan derden blijft de woning wel onder de eigenwoningregeling vallen. In beide situaties moet nog steeds sprake zijn van een hoofdverblijf voor belastingplichtige!
Tijdelijke verhuur, geregeld in artikel 3.111, lid 7 IB2001 juncto artikel 3.113 IB2001
Kamerverhuur, geregeld in artikel 3.114 IB2001.
De woning moet dus voor belastingplichtige
– (lid 1) een hoofdverblijf zijn, of
– (lid 2) leeg en te koop staan en hoofdverblijf zijn geweest, of
– (lid 3) leeg staan of in aanbouw zijn en hoofdverblijf gaan worden.
Een woning waarin slechts enig meubilair staat dan wel waarin uitsluitend een zogenaamde kraakwacht verblijft, wordt als leegstaand aangemerkt. De (al dan niet om niet) verhuurde woning wordt niet als leegstaand aangemerkt.

Voor de overdrachtsbelasting is ‘anders dan tijdelijk’ in de parlementaire geschiedenis ingevuld als een periode van ten minste zes maanden.
In principe kan je na de eerste zes maanden doen en laten wat je wilt met de woning, zonder dat dat consequenties heeft voor het toegepaste verlaagde tarief c.q. startersvrijstelling. In bepaalde evidente misbruiksituaties heeft de inspecteur nog wel de mogelijkheid om een naheffingsaanslag op te leggen. Dit in tegenstelling tot de inkomstenbelasting. Voor de inkomstenbelasting wordt gedurende de gehele eigendomsperiode per tijdvak (kalenderjaar) bepaald of de woning in dat jaar onder de eigenwoningregeling valt en/of sprake is van een ‘rechtsgevolg’.

**Verschil tussen tijdelijke verhuur en kamerverhuur:**
– duur van de verhuur; kamerverhuur is niet voor korte duur.
De vrijstelling voor inkomsten uit kamerverhuur is niet van toepassing indien er sprake is van het voor korte duur ter beschikking stellen van woonruimte. Dat betekent dat verhuur voor korte duur of seizoengebonden verhuur niet onder de regeling valt. Deze vormen van verhuur kunnen wel onder art. 3.113 Wet IB 2001 vallen. Tijdens de parlementaire behandeling van de voorloper van art. 3.114, namelijk art. 26, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 1964, is nader op deze problematiek ingegaan.
Niet duidelijk is hoe het criterium "voor korte duur” precies moet worden ingevuld. Volgens de staatssecretaris van Financiën en A-G Niessen ziet dit criterium in ieder geval op de verhuur voor periodes van een of twee maanden.

**Samengevat:**
De heffing van overdrachtsbelasting en inkomstenbelasting met betrekking tot een ‘eigenwoning-hoofdverblijf’ is verschillend. Voor de overdrachtsbelasting is slechts sprake van één belastbaar feit (de verkrijging) met een referentieperiode van in beginsel zes maanden, terwijl voor de inkomstenbelasting gedurende de eigendomsperiode eigenlijk ieder kalenderjaar sprake is van een belastbaar feit en in geval van aankoop/verkoop een referentieperiode van het lopende kalenderjaar met de daaropvolgende/daaraan voorafgaande drie jaar. Ook is voor de inkomstenbelasting eerder sprake van een woning in aanbouw, dan voor de overdrachtsbelasting.

**Rechtspraak**
HR 18 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1448:
In artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 is — voor zover van belang — bepaald dat onder eigen woning wordt verstaan een gebouw, met de daartoe behorende aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. In deze zaak is niet in geschil dat het tuinhuis een aanhorigheid is bij de woning. Dat behoort dus tot de eigen woning als bedoeld in deze bepaling.
Artikel 3.111, lid 7, Wet IB 2001 bepaalt dat het tijdelijk ter beschikking stellen van de woning aan derden daaraan niet het karakter van hoofdverblijf ontneemt. Omtrent die bepaling is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt: “Het vierde lid regelt dat een woning die door de belastingplichtige tijdelijk aan derden ter beschikking is gesteld, bijvoorbeeld tijdens een vakantie, toch als eigen woning voor de belastingplichtige wordt aangemerkt door aan die woning het karakter van hoofdverblijf gedurende die periode niet te ontnemen.”

**VERTROUWELIJK**
**Pagina 6 van 6**

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *