1703707

AI-samenvatting

In deze belastingadvies wordt geconcludeerd dat de interne reorganisatievrijstelling niet als fiscale faciliteit kwalificeert, waardoor ambtshalve teruggaaf mogelijk is. Daarnaast wordt bevestigd dat naheffing mogelijk is zodra niet meer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan.

Kennisgroepstandpunt

Beste 5.1.2e
Vanmiddag hebben wij elkaar gesproken 67 Awr |
67 Awr
J67 Awr _|De nieuwe belastingadviseur constateerde dat| 67 Awr |
67 Awr |
interne reorganisatievrijstelling was gedaan. Jullie hebben vastgesteld dat deze vrijstelling in alle
gevallen van toepassing is.
Uit onderstaande e-mailwisseling komen de volgende vragen op:
1. Kwalificeert de vrijstelling als een fiscale faciliteit als bedoeld in paragraaf 23 van Besluit
Fiscaal Bestuursrecht (dan is ambtshalve teruggaaf niet mogelijk)?
2. Omdat het een voorwaardelijke vrijstelling is die binnen drie jaar kan worden teruggenomen,
vragen wij ons echter af of het dan nog mogelijk is om na te heffen als we de teruggaven ambtshalve
hebben verleend.
3. Zijn hier in het verleden door de KG OVB standpunten over ingenomen?
Ad 1.
Nee.
In onderdeel 23, lid 8 letter c BFB is opgenomen:
“In gevallen waarin de belanghebbende bij de aangifte of op een ander wettelijk
voorgeschreven moment een verzoek had moeten doen of een keuze had moeten maken
voor toepassing van een fiscale faciliteit. Een dergelijk verzoek kan niet meer succesvol
worden gedaan en een dergelijke keuze kan niet meer succesvol worden gemaakt nadat de
aanslag onherroepelijk vast is komen te staan, dan wel de bezwaar- of beroepstermijn is
verstreken. Voor de toepassing van deze bepaling wordt een verzoek om teruggaaf of
vermindering in de zin van de belastingwet, niet aangemerkt als verzoek om een fiscale
faciliteit.”
Tot 1 januari 2007 gold de verplichting om binnen een maand na de verkrijging in de aangifte, onder
vermelding van de daartoe relevante gegevens, een beroep te doen op de vrijstelling. Sinds 1 januari
2007 is artikel 3 UBBR (oud) afgeschaft, Vrijstellingen zijn sindsdien van rechtswege van toepassing.
Zoals door jullie terecht naar voren is gebracht noemt de besluitgever als eerste gevolg van het
vervallen van het toenmalige art. 3 UBBR dat als materieel te veel overdrachtsbelasting is betaald,
net als bij andere belastingmiddelen, ook na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn
ambtshalve teruggaaf kan worden verleend op de voet van art. 65 AWR.
Ik onderschrijf dan ook jullie conclusie dat indien een belastingplichtige ten onrechte geen beroep op
een vrijstelling heeft gedaan, de mogelijkheid bestaat om – in het geval de wettelijke bezwaartermijn
is verstreken – op basis van art. 65 AWR om een ambtshalve vermindering te verzoeken.
Ad 2.
Ik zie geen belemmering om na te heffen op het moment dat niet langer wordt voldaan aan de
voorwaarden van de vrijstelling. Zoals je terecht hebt opgemerkt ontstaat de belastingschuld pas op
het moment dat niet meer wordt voldaan aan de voortzettingseis en/of de aanhoudingseis. Op dat
moment begint dan ook pas de naheffingstermijn van vijf jaar te lopen.
De Hoge Raad heeft in haar arrest van 10-10-2014 (ECLI:NL:HR:2014:2922, 13/06391) voor de
situatie waarin een (voorwaardelijke) vrijstelling (5b UBBR) is verleend geoordeeld dat de
naheffingstermijn pas aanvangt op het moment dat die vrijstelling wordt teruggenomen.
HR overweegt daartoe:
“2.3. Bij de beoordeling van dit middel heeft het volgende te gelden. Indien een
belastingplichtige ter zake van een belastbaar feit een geslaagd beroep doet op een in de wet
1703707 00001

1703707voorziene vrijstelling , ontstaat ten tijde van dat belastbare feit geen belastingschuld. Indien
de vrijstelling – zoals in het onderhavige geval — een voorwaardelijk karakter heeft, en
vanaf enig moment niet langer wordt voldaan aan de voor toepassing van die vrijstelling
geldende voorwaarde(n), ontstaat de belastingschuld pas op dat latere moment. Dit
brengt, gelet op de hiervoor in 2.1.3 vermelde uitgangspunten, mee dat de onderwerpelijke
belastingschuld pas op 1 maart 2007 ontstond. De naheffingsaanslag is daarom tijdig
opgelegd.”
Op het moment van het verlenen van een ambtshalve vermindering wordt aan de voorwaarden van
de vrijstelling voldaan (‘een geslaagd beroep op een vrijstelling!) waardoor op het
verkrijgingsmoment materieel geen belasting is verschuldigd. Als op enig moment daarna niet langer
wordt voldaan aan de voorwaarden, dan ontstaat vanaf dat moment de belastingschuld, ongeacht de
eerder verleende ambtshalve vermindering.
Dit volgt ook uit artikel 20 AWR:
Ad 3.”1.indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of
gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met
geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar
aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of
vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.”
Nee. Ik heb geen standpunten kunnen vinden in de database die hierover gaan.
Ik vertrouw erop dat ik jullie vragen hiermee voldoende heb beantwoord. Mochten er nog vragen
opkomen, dan verneem ik dat graag.
Veel succes met het vervolg!
Met vriendelijke groet,
9.1.2e
5.1.2e
00001

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: