AI-samenvatting
Dit document behandelt de vraag of de vrijstelling van artikel 15-1-b WBR van toepassing is op de verkrijging van certificaten door de zoon. De conclusie is dat dit afhankelijk is van de intentie en voorwaarden van een eventueel overnameplan.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1703545**
Belastingdienst
VERTROUWELIJK
Belastingdienst/MKB/kantoor Eindhoven
5.1.2e
**Memo Kennisgroepstandpunt 20-052-09 art. 15, lid 1, letter b Wbr stichting administratiekantoor**
**Feiten/casus**
De aandelen van een OZR zijn in bezit van een stichting administratiekantoor (verder te noemen Stak). Vader bezit een deel van de certificaten en de zoon bezit een deel. Vader wil een deel van de certificaten overdragen aan de zoon, zodat vader een deel en zoon een deel van de certificaten heeft. Op de verkrijging door de zoon wil men de vrijstelling van artikel 15-1-b WBR toepassen. De bedoeling is dat zoon op termijn alle certificaten verkrijgt. Het bestuur van de Stak bestaat uit vader en zoon. Vader heeft meer zeggenschap dan zoon. Indien de aandelen van de OZR niet zouden zijn gecertificeerd en de zoon de aandelen rechtstreeks zou verkrijgen, zou de vrijstelling van artikel 15-1-b WBR van toepassing zijn.
**Vraag**
Is op de verkrijging door de zoon van een deel van de certificaten de vrijstelling van artikel 15-1-b WBR toepasselijk?
**Antwoord**
Dat hangt ervan af.
**Beschouwing/ Toelichting**
Voor toepassing van artikel 15 lid 1 onderdeel b WBR is alleen plaats als, wat de bedrijfsvoering betreft, de gehele onderneming wordt verkregen én die gehele onderneming wordt voortgezet door de verkrijger. Dat geldt ook als de onderneming middellijk wordt verkregen (via aandelen in een OZR). HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110. Dan moet de intentie zijn dat de aandelen worden aangehouden én dat de OZR de materiële onderneming zal voortzetten.
In casu verkrijgt de zoon niet alle certificaten van aandelen in de OZR. Aan de eis dat de gehele onderneming wordt verkregen (en voortgezet) is daardoor niet voldaan. Ook verkrijgt de zoon als certificaathouder niet de aan zijn certificatenbezit evenredige zeggenschap over de aandelen (en de daardoor vertegenwoordigde onderneming van de OZR). Elk van beide omstandigheden maakt dat in beginsel niet wordt voldaan aan de voor toepassing van artikel 15, lid 1, letter b WBR geldende voorwaarden.
Het kan echter anders zijn. Mocht de certificering van de aandelen deel uitmaken van een tussen overdrager en verkrijger van de aandelen gemaakt overnameplan dat erop is gericht dat de zoon:
1. uiteindelijk alle certificaten verkrijgt, alsmede dat hij
2. uiteindelijk de volledige aan de aandelen verbonden zeggenschap over de onderneming kan uitoefenen, dan kan artikel 15, lid 1, letter b WBR wel van toepassing zijn (overdracht in fasen).
Dat overnameplan dient dan wel van meet af aan bestaan te hebben.
Geef een reactie