AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak is beoordeeld of BV B kwalificeert als een onroerendezaakrechtspersoon volgens artikel 4 WBR. Het antwoord is negatief, omdat de onroerende zaak niet dienstbaar is aan de exploitatie ervan.
Kennisgroepstandpunt
1703541Belastingdienst
VERTROUWELIJK Corporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl
Contactpersoon
| | el] | lO Kennisgroepstandpunt 20-052-07 artikel 4 WBR
Datum
29 mei 2020
Versienummer
Feiten 1.0
Behandeld door
Voor de huidige structuur, het stappenplan en de eindstructuur wordt verwezen Kopie‘aan
naar de bijlage aan het eind van dit document.Bijlage
BV B heeft van al haar activa en passiva het gebruik en genot in de VOF
ingebracht. De VOF betaalt BV B hiervoor een vaste vergoeding en een
winstafhankelijke vergoeding. De hoogte van de winstafhankelijke vergoeding
wordt jaarlijks aan het begin van het jaar in onderling overleg vastgesteld. In[67 Ar as de winstafhankelijke vergoeding vastgesteld overeenkomstig het bedrag
dat resteert na de uitbetaling van een arbeidsvergoeding en rentevergoeding op
het kapitaal van de vennoten.
BV B bezit de volgende activa en passiva:
e Onroerende zaken
e Machines
e Inventaris
e Auto’s
e Banktegoeden
e Vorderingen
e Schulden
Daarnaast staan op naam BV:
e Gebruik van handelsnaam en veilingnummer
e Contracten voor levering gas, elektra, water
e Debiteuren
e Crediteuren
e Personeel
De VOF heeft op haar balans staan:
e« Onder post Gereed product en handelsgoederen staan 67 Awr |
welke zijn ingekocht met een provisie van BV B
e Rekening-courant bank
e Kapitaal
e Kortlopende schulden
Verdeling winst, na diverse voorbedeling voor de inbreng in gebruik en genot van
de onderneming:
* BV A en BV B: iederl67 Aw
¢ De overige vennoten iede67 Awb van de overwinst.
VERTROUWELIJK Pagina 1 van 6
00056
1703541e De winstafhankelijke vergoeding voor gebruik en genot wordt op een
dusdanige hoogte afgestemd waardoor de winst van de VOF nihil is. Er
wordt dan ook niets aan winst aan de vennoten toebedeeld. In feite
verkrijgen de BV’s van de kinderen niet meer dan een arbeidsvergoeding
en een rentevergoeding op het kapitaal.
Voor de onroerende zaken rekent BV B een vaste vergoeding, het betreft hier een
doorbelasting van de kosten zoals afschrijvingen, rentevergoedingen voor de
financiering van het kapitaal en een risico-opslag. BV B factureert onder de titel
huur.
Vraag
Kwalificeert BV B als een onroerendezaakrechtspersoon (OZR) in de zin van artikel
4 WBR? Meer specifiek, voldoet BV B aan de doeleis?!
Antwoord
Nee, de onroerende zaak is niet dienstbaar aan het verkrijgen, vervreemden of
exploiteren van die onroerende zaak. Om die reden voldoet BV B niet aan de
doeleis in de zin van artikel 4 WBR en kwalificeert BV B om die reden niet als een
onroerendezaakrechtspersoon.
Beschouwing/Toelichting
Bezitseis
Allereerst wordt vastgesteld dat niet in geschil is dat BV B voldoet aan de
bezitseis,
Doeleis
Voor de beoordeling van de doeleis is het van belang of het afstaan door de
rechtspersoon van het gebruik van een onroerende zaak tegen vergoeding, wel of
niet plaatsvindt in het kader van het eigen bedrijfsproces, gericht op
dienstverlening van andere aard dan het tegen vergoeding afstaan van
onroerende zaken.2
Alleen als dit niet het geval is, bijvoorbeeld als dienstverlening van andere aard
ontbreekt of van ondergeschikte betekenis is, alleen dan is van exploitatie als
bedoeld in artikel 4 WBR sprake, anders niet.?
Het antwoord op de vraag of voldaan wordt aan de doeleis zal voornamelijk door
de feitenrechter* dienen te worden vastgesteld. De feiten en omstandigheden
daartoe zijn daarin mede bepalend. Dit wordt ook door Rozendal bevestigd in zijn
commentaar in NTFR bij de Rechtbankuitspraak die ten grondslag heeft gelegen
aan het Datacenter-arrest (onderstreping; KG OVB):
“Of is voldaan aan de exploitatie-eis is dan ook sterk afhankelijk van de
feiten en omstandigheden van het concrete geval waarbij met name de
aard van de feitelijke werkzaamheden relevant is. In dit verband bevindt
zich aan de ene kant van het spectrum van de exploitatie-eis het gebruik
van onroerende zaken in de ‘eigen’ onderneming, zoals het pand van de
1 Als het antwoord overigens bevestigend had geluid, werd de vraag relevant of
Tussenholding vervolgens ook kwalificeert als een OZR. Een bevestigend antwoord op die
vraag had geleid tot de vraag of artikel 15-1-b WBR op de verkrijging van de aandelen in de
Tussenholding van toepassing zou zijn geweest. Deze twee vragen achten wij gelet op ons
antwoord niet (meer) relevant.
? Datacenter-arrest, HR 10 oktober 2014, nr. 13/05448 (BNB 2015/14)
3 Geciteerd uit noot doer J.C. van Straaten, bij HR 10 oktober 2014, BNB 2015/14
* BNB 2009/91, zie noot van Schoenmaker.
00056
1703541bakker of het fabriekspand van de fietsenproducent. In dat geval is niet
voldaan aan de exploitatie-eis aangezien de onroerende zaken dienstbaar
casu quo ondergeschikt zijn aan de ondernemingsactiviteit. Aan de andere
kant van het spectrum bevinden zich activiteiten als verhuur van of handel
ín onroerende zaken en projectontwikkeling. In dat geval is wel aan de
exploitatie-eis voldaan. De onroerende zaken zijn dan dienstbaar aan de
handel in of de exploitatie van de onroerende zaken. Wanneer de
activiteiten zich qua aard tussen deze twee uitersten bevinden is niet in
alle gevallen op voorhand duidelijk of aan de exploitatie-eis is voldaan.
Indien onroerende zaken aan derden ter beschikking worden gesteld,
maar níet het rendabel maken van de onroerende zaken vooropstaat, doch
het verlenen van diensten dan is niet voldaan aan de exploitatie-eis. Te
denken valt aan een hotelbedrijf waar het verzorgen van logies,
maaltijden, vergaderfaciliteiten en ontspanning voor de gasten
vooropstaat. Hetzelfde heeft te gelden voor een recreatiepark (HR 18
december 1991, nr. 27.260, BNB 1992/100) of een camping (HR 19
december 2008, nr. 07/10541, NTFR 2009/168 met commentaar van
Schoenmaker).
Dit betekent dat alle activiteiten en werkzaamheden die door en op naam van BV
B worden verricht van belang zijn voor de beoordeling van de doeleis.
Activiteiten BV B
67 Awr
67 Awr
67 Awr
67 Awr
00056
170354167 Awr
Deze benadering wordt gesteund door de strekking van een recent arrest? van de
Hoge Raad waarin werd beslist dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat geen
sprake is van een ‘omzetting van een onderneming’, en dat daarom geen plaats is
voor toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001. In die procedure oordeelde het Hof
in onderdeel 2.2.3 van haar uitspraak: “Gelet op de bewoordingen van de
partnershipovereenkomst, de verdeling van het risico en de verdeling van de winst
en de verliezen, blijven belanghebbenden ook na de inbreng in de BV winst uit
onderneming genieten, aldus het Hof.” De bepaling van de ‘identiteit’ van een
onderneming is in die procedure een feitelijke aangelegenheid gebleken.
Conclusie
De beoordeling van de doeleis is (ook) een feitelijke aangelegenheid.
Op basis van:
1) alle gemaakte afspraken tussen BV B enerzijds en de VOF anderzijds;
2) de feitelijke activiteiten die door def Apersoneelsleden van BV B worden
verricht;
3) het gebruik van de handelsnaam en veilingnummer van en door BV B;
4) de leveringscontracten voor gas, water en elektra, waaronder de
verantwoordelijkheid daarvoor, die in feite voor rekening en risico van BV
B komen;
5) het opnemen van de debiteuren en crediteuren op de balans van BV B;
kan de conclusie getrokken werden dat de onroerende zaak dienstbaar is aan de
activiteiten die hiermee verband houden. In de gegeven omstandigheden kan
worden geconcludeerd dat de onroerende zaak niet dienstbaar is aan de
exploitatie van die onroerende zaak. Dit betekent dat BV B niet voldoet aan de
doeleis en om die reden niet kwalificeert als een onroerendezaakrechtspersoon.
5 HR 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:645,
00056
Bijlage 1 huidige structuur, stappenplan, eindstructuur
Huidige structuur:
67 Awr
67 Awr 67 Awr 67 Awr 67 Awr 67 Awr
/
/
67 Awr
67 Awr
67 Awr |
67 Awr 67 Awr 67 Awr 67 Awr
1703541 00056
170354167 Awr
00056
Geef een reactie