AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt geconcludeerd dat artikel 15 lid 1 letter b WBR niet van toepassing is op de verkrijging van certificaten, omdat de certificaathouders niet de gehele onderneming voortzetten. Dit heeft implicaties voor de overdrachtsbelasting in situaties waarin slechts economische belangen worden overgedragen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
MERLEVUM FEL K Corporate Dienst
Belastingdienst/MKB/Noordoost/kantoor Almere Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl
**Contactpersoon**
Kennisgroepstandpunt 20-052-04 toepassing art. 5.1.2e
15 lid 1 letter b Wbr
Datum: 17 september 2020
Versienummer: 1.0
Behandeld door: [GEANONIMISEERD]
Kopie aan: [GEANONIMISEERD]
Bijlage: [GEANONIMISEERD]
**VERTROUWELIJK**
Pagina 1 van 7
—
**Vraag**
1. Is artikel 15 lid 1 letter b WBR op de verkrijging van de certificaten van toepassing?
2. Zoja, geldt dat dan ook voor de waarde van het vastgoed dat zich bevindt in de kleindochter van X BV waarin X BV een (middellijk) belang heeft van 50%?
**Antwoord**
1. Artikel 15 lid 1 letter b WBR is niet op de verkrijging van de certificaten van toepassing, omdat van voortzetting van de gehele onderneming door de certificaathouders geen sprake is. Via de certificaten gaat slechts het economisch belang bij de onderneming over (via de gecertificeerde aandelen), niet de zeggenschap over de onderneming (via de gecertificeerde aandelen). Daardoor is niet voldaan aan de eis dat de onderneming wat de bedrijfsvoering betreft in zijn geheel wordt voortgezet door de verkrijgers.
2. Wat betreft de waarde van het vastgoed dat zich bevindt in de kleindochter van X BV waarin X BV een (middellijk) belang heeft van 50% kan artikel 15 lid 1 letter b WBR geen toepassing vinden, omdat door de verkregen certificaten van aandelen X BV niet (middellijk) de gehele onderneming van deze kleindochter wordt verkregen noch voortgezet.
**Beschouwing/Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Opgewekt vertrouwen?
Artikel 15 lid 1 letter b WBR van toepassing?
HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110, overwoog:
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft op 27 februari 2015 een bedrag van € 141.360 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan in verband met de verkrijging van alle aandelen in [A] Holding B.V. (hierna: Holding). De aandelen Holding zijn aan belanghebbende geschonken door zijn moeder.
Holding en haar dochtermaatschappij [C] B.V. (hierna: Vastgoed) exploiteren onroerende zaken en drijven beide een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet IB 2001. De aandelen Holding waren ten tijde van de verkrijging fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht had op toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor bedrijfsopvolging (artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, WBR).
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de wetsfictie van artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, WBR geen verdere strekking heeft dan te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan.
In het licht daarvan moet volgens het Hof onder “in haar geheel door de verkrijger wordt voortgezet” in artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, WBR mede worden verstaan de verkrijging van de aandelen die als gevolg van de hiervoor bedoelde wetsfictie als onroerende zaken worden aangemerkt, doch uitsluitend indien de aandelen worden gehouden in een vennootschap die een materiële onderneming drijft en voorts, doordat alle aandelen worden verkregen, de volledige zeggenschap in die onderneming van de ouder op het kind overgaat.
Bovenstaand arrest had betrekking op de verkrijging van 100% van de aandelen in een BV die 100% van de aandelen in het kapitaal van een dochter BV hield. Beide BV's dreven een materiële onderneming. Voor die situatie heeft de Hoge Raad beslist dat de vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b WBR van toepassing kan zijn op de verkrijging van de aandelen in en onroerendezaakrechtspersoon, ook voor zover het het vastgoed betreft van de dochter.
De onderhavige zaak verschilt in twee opzichten:
1. er worden geen aandelen verkregen, maar certificaten van aandelen;
2. via de verkregen certificaten wordt mede een belang verkregen bij het vastgoed van een kleindochter waarin de onroerendezaakrechtspersoon (X BV) een belang houdt van 50%.
Er is geen reden het arrest toe te passen in andere gevallen dan die aan de orde van het arrest.
**VERTROUWELIJK**
Pagina 5 van 7
Geef een reactie