AI-samenvatting
Dit document behandelt de uitleg van het voortzettingsvereiste bij de omzetting van een vof-aandeel naar een BV. Het besluit concludeert dat de BV de bestaande vof kan voortzetten zonder dat er sprake is van een inbreng van buitenvennootschappelijk vermogen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/**
**Kennisgroepstandpunt 20-052-18 artikel 15, lid 1, letter e, ten tweede WBR en artikel 5 UBBR**
**Memo**
**Feiten/casus**
Vof Z heeft 2 vennoten, [GEANONIMISEERD] en [GEANONIMISEERD]. [GEANONIMISEERD] heeft buitenvennootschappelijk vermogen, te weten een onroerende zaak (UZ) waarvan hij het gebruik en genot in de vof heeft ingebracht. [GEANONIMISEERD] zet zijn subjectieve onderneming, bestaande uit zijn vof-aandeel en zijn buitenvennootschappelijk vermogen, om in een BV. [GEANONIMISEERD] zet haar subjectieve onderneming niet om. Vof Z gaat verder met de vennoten [GEANONIMISEERD] en BV.
**Vraag**
1. Hoe moet het voortzettingsvereiste van artikel 5 lid 4 UBBR worden uitgelegd bij de omzetting van een vof-aandeel/subjectieve onderneming?
2. Brengt in casu de BV het buitenvennootschappelijk vermogen in vof Z in gebruik en genot in? Zo ja, wordt daarmee de voortzettingseis geschonden?
**Antwoord**
1. Het voortzettingsvereiste van artikel 5 lid 4 UBBR houdt in een geval als dit in dat de BV in de plaats van de [GEANONIMISEERD] vennoot van de vof Z wordt en blijft gedurende de daarvoor gestelde termijn van in beginsel 3 jaar. Wat betreft het buitenvennootschappelijke vermogen geldt dat de BV het gebruik en genot ervan gedurende de termijn van 3 jaar aan de vof Z ter beschikking stelt.
2. De BV treedt toe tot de bestaande vof (wisseling vennoten). Van inbreng is geen sprake.
**Beschouwing/Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
**Wettelijk kader:**
Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel e, ten tweede WBR luidt:
1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
e. krachtens inbreng van een onderneming in een vennootschap, in de volgende gevallen:
2°. bij omzetting van een niet in de vorm van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming in een wel in zodanige vorm gedreven onderneming, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming;
**Artikel 5 UBBR luidt:**
1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, bedoelde vrijstelling bij omzetting van een niet in de vorm van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, waaronder mede wordt verstaan de onderneming bestaande in een deelgerechtigdheid in een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap, in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is van toepassing indien alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva die een functie vervullen in de onderneming worden ingebracht tegen toekenning van aandelen, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming.
2. Onder toekenning van aandelen wordt begrepen het geval waarin naast de toekenning van aandelen tevens een bedrag in geld wordt betaald van ten hoogste 10 percent van de waarde van hetgeen op de aandelen is gestort, met dien verstande dat ingeval de omzetting plaatsvindt met toepassing van artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dit bedrag kan worden gesteld op het bedrag waarvoor de ondernemer op grond van de aan deze toepassing verbonden voorwaarden wordt gecrediteerd.
3. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de wet niet is geheven ter zake van een omzetting is alsnog verschuldigd, indien de inbrenger binnen drie jaren na de omzetting niet meer in het bezit is van alle bij of in verband met die omzetting verkregen aandelen. De bepaling is eveneens van toepassing bij vervreemding van claims en het verlenen van een koopoptie op de aandelen, alsmede bij een gehele of gedeeltelijke terugbetaling van hetgeen op de aandelen is gestort.
4. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de wet niet is geheven ter zake van een omzetting is alsnog verschuldigd, indien de onderneming niet gedurende een periode van ten minste drie jaren na de omzetting door de vennootschap wordt voortgezet.
5. Het derde lid blijft buiten toepassing in geval van vervreemding van de aandelen in het kader van een splitsing als bedoeld in artikel 5c, dan wel indien ten minste 75 percent van de aandelen van de opgerichte vennootschap wordt verkregen door een andere vennootschap tegen toekenning van eigen aandelen, met dien verstande dat de toegekende aandelen in de plaats komen van de in het derde lid bedoelde aandelen. Onder toekenning van aandelen wordt mede begrepen het geval waarin naast de toekenning van aandelen tevens een bedrag in geld wordt betaald van ten hoogste 10 percent van de nominale waarde van de toegekende aandelen.
6. Het vierde lid blijft buiten toepassing in geval van vervreemding in het kader van een fusie als bedoeld in artikel 5a, een interne reorganisatie als bedoeld in artikel 5b, dan wel een splitsing als bedoeld in artikel 5c.
**Voortzettingseis**
De verkrijgende BV/NV moet de verkregen onderneming minimaal drie jaar zelf volledig voortzetten, behalve in de situaties genoemd in lid 6.
**Aantekening 5 bij het commentaar bij artikel 5 UBBR in de Vakstudie**
Art. 5 lid 4 van het Uitvoeringsbesluit BRV bevat een voortzettingsvereiste. De vennootschap moet de onderneming ten minste nog gedurende drie jaren na de omzetting voortzetten. De vennootschap mag daarbij geen handelingen verrichten die bij de inbrenger, indien hij de onderneming niet zou hebben ingebracht, zouden hebben geleid tot staking van de onderneming of van een zelfstandig gedeelte daarvan. Deze voortzettingseis is verbindend volgens Hof Amsterdam 26 februari 2002, nr. 99/4084, V-N 2002/28.28. Volgens het hof doet hieraan niet af dat in voorkomende gevallen de vrijstelling geen toepassing kan vinden omdat niet voldaan is aan de in het besluit gestelde eisen, terwijl feitelijk geen sprake blijkt te zijn van enig oneigenlijk gebruik of misbruik. Dat voor de inkomstenbelasting de voortzettingseis anders luidt heeft geen invloed op de eisen die gelden voor de overdrachtsbelasting.
**Conclusie**
Als hieruit de conclusie getrokken moet worden dat na de omzetting van een subjectieve onderneming een inbreng in de ‘bestaande’ vof volgt, dan zou nooit aan de voortzettingseis kunnen worden voldaan. Dat kan de bedoeling van de wetgever niet zijn geweest, zeker niet omdat de mogelijkheid van omzetting van de subjectieve onderneming zelfs later specifiek aan de regeling is toegevoegd.
**VERTROUWELIJK**
**Pagina 7 van 7**
Geef een reactie