AI-samenvatting
Belanghebbende heeft in 2018 de AOW-leeftijd bereikt en laat zijn levenslooptegoed uitbetalen. Hij heeft recht op levensloopverlofkorting, die herrekend moet worden vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. De levensloopverlofkorting, opgenomen in artikel 8.18a Wet IB 2001, is sinds 1 januari 2012 afgeschaft, maar er is overgangsrecht. Dit recht geldt voor belastingplichtigen die beschikken over een levensloopvoorziening. De herrekening van de levensloopverlofkorting is noodzakelijk, zoals vastgelegd in artikel 2.6a van de Regeling Wfsv, en is niet uitgesloten in artikel 8.7 Wet IB 2001. Bij doorstorting van het levenslooptegoed in ouderdomspensioen is er geen recht op levensloopverlofkorting.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Belanghebbende heeft in 2018 de AOW-leeftijd bereikt en laat zijn levenslooptegoed uitbetalen. Hij heeft recht op levensloopverlofkorting, die herrekend moet worden vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. De levensloopverlofkorting, opgenomen in artikel 8.18a Wet IB 2001, is sinds 1 januari 2012 afgeschaft, maar er is overgangsrecht. Dit recht geldt voor belastingplichtigen die beschikken over een levensloopvoorziening. De herrekening van de levensloopverlofkorting is noodzakelijk, zoals vastgelegd in artikel 2.6a van de Regeling Wfsv, en is niet uitgesloten in artikel 8.7 Wet IB 2001. Bij doorstorting van het levenslooptegoed in ouderdomspensioen is er geen recht op levensloopverlofkorting.
**Documenttitel: 1694067**
**Belastingdienst**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep 1B niet-winst algemeen
Contactpersoon: [GEANONIMISEERD]
Helpdeskvraag 18-202-0025: Datum 11 Januari 2019
Referentienummer: 18-202-0025
Datum vaststelling: [GEANONIMISEERD]
Auteur: [GEANONIMISEERD]
Behandeld door: [GEANONIMISEERD]
**Casus**
Belanghebbende bereikt in 2018 de AOW-leeftijd en laat op de dag voorafgaand aan het bereiken van de AOW-leeftijd zijn opgebouwde levenslooptegoed uitbetalen. Hij heeft recht op de levensloopverlofkorting die hij in voorgaande jaren heeft opgebouwd.
**Vraag**
Dient de levensloopverlofkorting waar belanghebbende recht op heeft, herrekend te worden als gevolg van het bereiken van de AOW-leeftijd?
**Antwoord**
Ja.
**Beschouwing**
De levensloopverlofkorting is sinds 1 januari 2006 opgenomen in artikel 8.18a Wet IB 2001 en deze regeling is met ingang van 1 januari 2012 afgeschaft. Voor reeds bestaande gevallen is er overgangsrecht opgesteld dat is opgenomen in artikel 10a.11 Wet IB 2001. De levensloopverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar beschikt over een voorziening die hij in het kader van de levensloopregeling heeft opgebouwd.
Artikel 8.18a Wet IB 2001 [tekst 2011, vervallen per 1 januari 2012] luidt als volgt:
1. De levensloopverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar beschikt over een ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 opgebouwde voorziening. Voor de belastingplichtige die met toepassing van artikel 19g, zesde lid, beschikt over de opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting niet van toepassing.
2. De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt beschikt, maar ten hoogste € 201 per kalenderjaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd, verminderd met de bedragen aan levensloopverlofkorting die de belastingplichtige in voorafgaande kalenderjaren reeds heeft genoten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 10a.11 Wet IB 2001 luidt [sinds 2014] als volgt:
Bij toepassing van artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 zijn de artikelen 8.1, derde lid, 8.2, onderdeel I, 8.9, eerste lid, 8.18a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, 9.2, vierde lid, en 10.1, zoals deze bepalingen op 31 december 2011 luidden, met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.18a, tweede lid, zoals deze bepaling op 31 december 2011 luidde, kalenderjaren die na 31 december 2011 zijn geëindigd buiten beschouwing blijven.
Dat de heffingskortingen herrekend dienen te worden is opgenomen in artikel 2.6a van de Regeling ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv):
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wfsv, tijdsevenredig verminderd naar rato van de periode van premieplicht in het kalenderjaar.
Artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c van de Wfsv luidt als volgt:
1. De heffingskorting voor de volksverzekeringen is de som van:
a. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig is voor de verzekering langdurige zorg: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg.
Artikel 8.7 Wet IB 2001 luidt [sinds 2013] als volgt:
Bij de toepassing van artikel 8.3, artikel 8.5 en artikel 8.6 op het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting, of de korting voor groene beleggingen betrekking heeft, wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting en de korting voor groene beleggingen in afwijking van artikel 8.4 op nihil gesteld.
Het commentaar op artikel 8.7 Wet IB 2001 luidt als volgt:
In de parlementaire behandeling is het volgende opgemerkt: "De leden van de fractie van de PvdA vragen of de levensloopverlofkorting wordt toegepast wanneer het levenslooptegoed wordt doorgestort in het ouderdomspensioen. Deze leden vragen hoe lang de levensloopverlofkorting van toepassing is indien het tegoed aan het ouderdomspensioen is toegevoegd. De levensloopverlofkorting is van toepassing wanneer de werknemer met toepassing van artikel 19g, tweede of achtste lid, beschikt over het ingevolge de levensloopregeling opgebouwde tegoed. Van het beschikken over het levenslooptegoed is derhalve sprake wanneer de werknemer met toepassing van artikel 19g, tweede lid, onbetaald verlof opneemt en als loonvervanging tijdens deze periode van onbetaald verlof het levenslooptegoed aanwendt ten behoeve van loonvervanging. Op het moment waarop levenslooptegoed op deze wijze wordt aangewend wordt de levensloopverlofkorting toegekend. Wanneer de werknemer op de dag voorafgaand aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar het levenslooptegoed nog niet heeft gebruikt (omdat de werknemer bijvoorbeeld tijdens zijn loopbaan geen behoefte aan verlof heeft gehad) wordt het tegoed op dat moment op grond van artikel 19g, achtste lid, belast uitgekeerd. Bij deze vorm van beschikken over het levenslooptegoed heeft de werknemer eveneens op dat moment recht op de levensloopverlofkorting. Bij de doorstorting van levenslooptegoed in ouderdomspensioen heeft de werknemer geen recht op de levensloopverlofkorting."
Op grond van de bovenstaande wettelijke bepalingen is de Kennisgroep van mening dat de levensloopverlofkorting (vallend onder het overgangsrecht) in het jaar van het bereiken van de AOW-leeftijd wel herrekend dient te worden met het premiepercentage AOW. De levensloopverlofkorting is (ook niet voor 2012) namelijk niet uitgezonderd in artikel 8.7 Wet IB 2001. Wel uitgezonderd zijn: de ouderenkorting, alleenstaande ouderenkorting of de korting voor groene beleggingen.
Geef een reactie