AI-samenvatting
Belastingplichtige en haar vader hebben op 24 augustus 2018 een notariële samenwoonovereenkomst gesloten, waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorgverplichtingen. De kennisgroep van de Belastingdienst concludeert dat deze overeenkomst gelijkgesteld kan worden aan een notarieel samenlevingscontract volgens artikel 5a, lid 1, sub b van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Hierdoor kwalificeren zij als fiscaal partners voor de Wet IB 2001, aangezien zij ongehuwd, meerderjarig zijn en op hetzelfde adres staan ingeschreven. De wet stelt geen specifieke eisen aan de vorm of inhoud van een samenlevingscontract, waardoor de notariële samenwoonovereenkomst voldoet aan de voorwaarden voor fiscaal partnerschap. Hierdoor kunnen zij voor de inkomstenbelasting als vollejaarspartners worden aangemerkt. Bij meerdere samenwoonovereenkomsten wordt alleen de oudste overeenkomst in aanmerking genomen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Belastingplichtige en haar vader hebben op 24 augustus 2018 een notariële samenwoonovereenkomst gesloten, waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorgverplichtingen. De kennisgroep van de Belastingdienst concludeert dat deze overeenkomst gelijkgesteld kan worden aan een notarieel samenlevingscontract volgens artikel 5a, lid 1, sub b van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Hierdoor kwalificeren zij als fiscaal partners voor de Wet IB 2001, aangezien zij ongehuwd, meerderjarig zijn en op hetzelfde adres staan ingeschreven. De wet stelt geen specifieke eisen aan de vorm of inhoud van een samenlevingscontract, waardoor de notariële samenwoonovereenkomst voldoet aan de voorwaarden voor fiscaal partnerschap. Hierdoor kunnen zij voor de inkomstenbelasting als vollejaarspartners worden aangemerkt. Bij meerdere samenwoonovereenkomsten wordt alleen de oudste overeenkomst in aanmerking genomen.
**Documenttitel: 1694059**
**Belastingdienst**
Kennisgroep IB niet-winst algemeen
Contactpersoon _____
5.1.2e
Datum: 24 augustus 2018
Notariële samenwoonovereenkomst, Versienummer 1
Referentienummer: 18-202-0014
**Casus**
Belastingplichtige (>27 jaar) en haar vader zijn per 24 augustus 2018 een notariële samenwoonovereenkomst (hierna ook genoemd: samenwoonovereenkomst) aangegaan. Zij hebben besloten om te gaan samenwonen in die zin dat ze ieder zo veel mogelijk een zelfstandig leven willen behouden, maar mede in verband met de toekomstige zorg van de ouder elkaars nabijheid opzoeken. In de samenwoonovereenkomst is onder andere vastgelegd dat ze een gemeenschappelijke huishouding voeren en dat ze gedurende de periode dat zij samenwonen, een wederzijdse zorgverplichting hebben als bedoeld in artikel 1a Successiewet 1956. De zorgplicht strekt niet verder dan het over en weer verplicht zijn tot het bijdragen aan de kosten van de huishouding.
**Vraag**
Wordt een notariële samenwoonovereenkomst gelijkgesteld aan een notarieel samenlevingscontract van artikel 5a, lid 1, sub b Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna genoemd: AWR)? En kwalificeren ze daardoor als fiscaal partner voor de Wet IB 2001?
**Antwoord**
Ja.
**Beschouwing**
Het samenwooncontract is volgens de kennisgroep gelijk aan een notarieel samenlevingscontract in de zin van artikel 5a, lid 1 sub b AWR. Aangezien belastingplichtige en haar vader beiden ongehuwd, meerderjarig en op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, kwalificeren zij vanaf [GEANONIMISEERD] als fiscaal partner voor de Wet IB 2001.
Vanaf 2011 is het partnerbegrip gewijzigd in (onder andere) de AWR en de Wet IB 2001. In artikel 5a AWR is het basispartnerbegrip opgenomen en dit luidt als volgt:
“Als partner wordt aangemerkt:
a. de echtgenoot;
b. de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.”
In artikel 1.2 Wet IB 2001 is bepaald dat artikel 5a AWR van overeenkomstige toepassing is verklaard voor de inkomstenbelasting (en daarbij zijn enkele uitbreidingen en beperkingen opgenomen). In (artikel 5a, lid 2 AWR en) artikel 1.2, lid 2 Wet IB 2001 is bepaald dat:
“Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen.”
In de parlementaire geschiedenis is geen nadere toelichting gegeven op het notarieel samenlevingscontract. Behoudens dat deze tevens wordt omschreven als samenlevingsovereenkomst. In de parlementaire geschiedenis is onder andere het volgende toegelicht:
“Voor de inkomstenbelasting geldt in aanvulling op het basispartnerbegrip dat ongehuwd samenwonenden met een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling verplicht partner zijn als zij in de GBA staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Zij zijn ook verplicht partner als ze het voorafgaande jaar als partners kwalificeerden en nog steeds in de GBA op hetzelfde woonadres staan ingeschreven.”
Ongehuwd samenwonenden zonder notarieel samenlevingscontract, gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling zijn geen partners voor de inkomstenbelasting. Zij kunnen er straks niet meer voor kiezen om wel als partners te worden aangemerkt. Dit leidt er toe dat bijvoorbeeld samenwoners (waaronder studenten) zonder kinderen die samenwonen in een huurwoning pas als partners kunnen kwalificeren als zij een notarieel samenlevingscontract afsluiten of zich voor de toepassing van een pensioenregeling als partners hebben aangemeld.
Over de samenwoning van broers en zussen is het volgende toegelicht:
“De leden van de fractie van de SP vragen hoe het zit met broers en zusters die samenwonen. Het nieuwe partnerbegrip maakt geen uitzondering voor deze categorie ongehuwde samenwoners. Dit geldt zowel voor het basispartnerbegrip van de AWR als de aanvullende partnercategorieën in de Wet IB 2001 en de Awir. Dit betekent dat als twee broers of twee zusters of een broer en een zus een notarieel samenlevingscontract sluiten, of een eigen woning in gezamenlijke eigendom hebben of zich voor een pensioenregeling als partners aanmelden, zij voor de belastingheffing en de toeslagen als partners worden aangemerkt.”
Het begrip ‘notarieel samenlevingscontract’ is niet nader onderbouwd. Een samenlevingscontract is een overeenkomst die de vermogensrechtelijke verhoudingen regelt tussen personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren. Tevens kunnen er aanvullende afspraken gemaakt worden in een samenlevingscontract. De wet stelt geen speciale regels voor de vorm en inhoud van een samenlevingscontract.
De Rijksoverheid geeft een aantal voorbeelden waaraan gedacht dient te worden bij het opstellen van een samenlevingscontract (deze zijn niet limitatief en dienen slechts ter voorbeeld):
– de verdeling van de kosten van boodschappen, kleding, woonlasten;
– de bankrekening(en);
– de kosten voor het verzorgen en opvoeden van kinderen;
– de verdeling van de bezittingen als u uit elkaar gaat;
– een verblijvingsbeding: als uw partner komt te overlijden mag u de gemeenschappelijke bezittingen houden.
Aangezien de wet geen regels stelt voor de vorm en inhoud van een samenlevingscontract is het naar de mening van de kennisgroep voor de vraag of er sprake is van fiscaal partnerschap voor de Wet IB 2001 niet relevant of een overeenkomst wordt benoemd als samenwoonovereenkomst of als samenlevingscontract of -overeenkomst. Partijen hebben immers vergelijkbare afspraken gemaakt. Zij hebben vastgelegd dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en daarnaast hebben zij afspraken gemaakt over de inboedel, en/of rekening, kosten van de huishouding, ontbinding van de overeenkomst en is er een verblijvingsbeding opgenomen. De afspraken zijn daarbij notarieel vastgelegd.
De samenwoonovereenkomst is daarmee gelijk aan het samenlevingscontract. Aangezien ook aan de overige voorwaarden van 5a AWR is voldaan, kwalificeren belastingplichtige en haar vader vanaf [GEANONIMISEERD] als fiscaal partner voor de Wet IB 2001. Omdat zij in 2015 voldoen aan de voorwaarden van fiscaal partnerschap voor de Wet IB 2001, kunnen zij op basis van artikel 2.17, lid 7 Wet IB 2001 voor de inkomstenbelasting opteren voor vollejaarspartners voor 2015.
Aanvullend merken wij op dat een persoon op enig moment slechts één partner kan hebben. Bij meer dan één samenwoonovereenkomst, wordt alleen de oudste overeenkomst in aanmerking genomen. Een samenwoonovereenkomst met meer dan één persoon, wordt niet in aanmerking genomen (artikel 5a, lid 5 AWR).
Volledigheidshalve merken wij op dat niet is getoetst dat aan de voorwaarden van fiscaal partnerschap van artikel 1a Successiewet 1956 is voldaan.
Geef een reactie