1694057

AI-samenvatting

Een minderjarig kind dat in een pleeggezin wordt opgenomen en waarvoor een pleegzorgvergoeding wordt ontvangen, kan fiscaal niet als pleegkind worden aangemerkt volgens artikel 1.4 van de Wet IB 2001. Dit komt doordat de pleegouder niet voldoet aan de onderhoudseis, aangezien de kosten van onderhoud en opvoeding niet door de pleegouder zelf worden gedragen, maar door de pleegzorgvergoeding. Hierdoor heeft de pleegouder geen recht op kindgerelateerde heffingskortingen zoals kinderbijslag of kindgebonden budget. Dit standpunt is bevestigd door jurisprudentie en uitlatingen van bewindslieden.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Een minderjarig kind dat in een pleeggezin wordt opgenomen en waarvoor een pleegzorgvergoeding wordt ontvangen, kan fiscaal niet als pleegkind worden aangemerkt volgens artikel 1.4 van de Wet IB 2001. Dit komt doordat de pleegouder niet voldoet aan de onderhoudseis, aangezien de kosten van onderhoud en opvoeding niet door de pleegouder zelf worden gedragen, maar door de pleegzorgvergoeding. Hierdoor heeft de pleegouder geen recht op kindgerelateerde heffingskortingen zoals kinderbijslag of kindgebonden budget. Dit standpunt is bevestigd door jurisprudentie en uitlatingen van bewindslieden.

**Belastingdienst**
**Memo**
Is sprake van een pleegkind in fiscale zin wanneer een pleegzorgvergoeding wordt ontvangen?

**Casus**
Een minderjarig kind wordt opgenomen in het gezin van een belastingplichtige. Belastingplichtige ontvangt een pleegzorgvergoeding voor het kind. Belastingplichtige wil in aanmerking komen voor kindgerelateerde heffingskortingen.

**Vraag**
Kan een kind, waarvoor een pleegzorgvergoeding wordt ontvangen, fiscaal als pleegkind als bedoeld in artikel 1.4 van de Wet IB 2001 worden aangemerkt?

**Antwoord**
Neen

**Beschouwing**
In artikel 1.4 van de Wet IB 2001 is vermeld dat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen […] onder een kind mede [wordt] verstaan een pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap. In de Wet IB 2001 noch in een andere fiscale wet is een definitie gegeven voor het begrip ‘pleegkind’. Art. 56 Wet IB 1964 bevatte tot 1980 een definitie van pleegkind die bepaalde dat een kind als pleegkind werd aangemerkt indien het kind als een eigen kind werd onderhouden en opgevoed. In 1980 is deze definitie met het afschaffen van de kinderaftrek vervallen. Vanaf die tijd is het begrip pleegkind verder door de jurisprudentie ingevuld, waarbij de elementen van opvoedingseis en onderhoudseis van kracht bleven.

Wat het onderhoud betreft gaat het erom dat er tussen pleegouder en pleegkind een financiële band moest bestaan betreffende de kosten van onderhoud en meer algemeen de kosten van de opvoeding. Indien er andere financiële bronnen zijn waaruit onderhoud en opvoeding kunnen worden betaald, zoals een pleegoudervergoeding of een uitkering van een voogdijvereniging, dan wordt niet aan de onderhoudseis voldaan.

In zijn uitspraak van 27 oktober 2008 heeft het Gerechtshof Amsterdam dit bevestigd. Het Hof is hiermee teruggekomen op een uitspraak waarbij het Hof anders besliste.

Op vragen vanuit de Tweede Kamer over vragen die betrekking hebben op vergoeding en tegemoetkoming aan pleegouders heeft de Minister van Jeugd en Gezin, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, het volgende geantwoord:

**Vraag 3**
Onder welke omstandigheden heeft iemand recht op zowel de pleegoudervergoeding als de kinderbijslag en dus aanspraak op het kindgebonden budget?

**Antwoord op vraag 3**
Een pleegouder heeft óf recht op pleegvergoeding óf op kinderbijslag. Een pleegouder kan geen recht hebben op beide financiële tegemoetkomingen. De reden daarvoor is gelegen in de doelstelling en achtergrond van beide regelingen. De kinderbijslag is beschikbaar als financiële tegemoetkoming voor pleegouders die een pleegkind opvoeden en onderhouden als ware het hun eigen kind. Zij betalen de kosten van dit kind en kunnen over de opvoeding beslissen. Pleegouders die formeel als zodanig zijn aangewezen in de zin van de Wet op de jeugdzorg krijgen een kostendekkende pleegvergoeding. In dit geval is sprake van geïndiceerde jeugdzorg.

Een pleegouder die pleegvergoeding krijgt, voldoet dus niet aan het onderhoudsvereiste en krijgt daarom geen kinderbijslag en dus ook geen kindgebonden budget.

In zijn besluit van 21 november 2017, nr. 2017-18782, met betrekking tot partnerschap tussen pleegouders en pleegkinderen, heeft de staatssecretaris dit standpunt nogmaals uitgedragen.

Zowel op grond van de jurisprudentie als op grond van uitlatingen van bewindslieden moet de conclusie worden getrokken dat wanneer sprake is van een pleegzorgvergoeding een kind niet wordt onderhouden als ware het een eigen kind. Het gevolg hiervan is dat zo’n kind niet als pleegkind kan worden aangemerkt in fiscale zin.

De omstandigheid dat de staatssecretaris voor de Successiewet een standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de vraag of sprake kan zijn van een pleegkind (in fiscale zin) wanneer een pleegzorgvergoeding wordt ontvangen maakt het bovenstaande niet anders. Het beleid van de staatssecretaris is speciaal voor de Successiewet gemaakt, hetgeen blijkt uit de beantwoording van andere vragen met betrekking tot de vraag of sprake is van een pleegkind.

**Referenties**
1. ECLI:NL:GHAMS:2008:BG2729
2. Besluit Minister van Financiën van 5 juli 2010, nr. DGB 2010/872M, Stcrt. 2010, 10783.

**Pagina 1 van 3**
**Versienummer**: 1.0
**Datum**: 17 mei 2018
**Referentienummer**: 18-202-0010
**Vastgesteld door**: Naam Achternaam
**Opdrachtgever**: Kennisgroep IB niet-winst algemeen
**Auteur**: 5.1.2e
**Behandeld door**: 5.1.2e
**Kopie aan**: Kennisgroepleden Lavaco IB
**Bijlagen**: Geen

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *