AI-samenvatting
De gezamenlijke rendementsgrondslag voor belastingplichtigen en hun partners wordt berekend op basis van de gezamenlijke bezittingen minus de gezamenlijke schulden, zoals vastgelegd in artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001. Dit houdt in dat belastingplichtigen en hun voljaarpartners in hun aangifte per categorie bezitting en schuld het gezamenlijke totaal moeten opgeven. De wetgever heeft beoogd om een gezamenlijke grondslag te hanteren om uitvoeringsproblemen te voorkomen, zoals onduidelijkheid over de toerekening van specifieke bezittingen aan de juiste partner. Na het bepalen van de gezamenlijke grondslag kan deze onderling worden verdeeld, rekening houdend met het heffingvrije vermogen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
De gezamenlijke rendementsgrondslag voor belastingplichtigen en hun partners wordt berekend op basis van de gezamenlijke bezittingen minus de gezamenlijke schulden, zoals vastgelegd in artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001. Dit houdt in dat belastingplichtigen en hun voljaarpartners in hun aangifte per categorie bezitting en schuld het gezamenlijke totaal moeten opgeven. De wetgever heeft beoogd om een gezamenlijke grondslag te hanteren om uitvoeringsproblemen te voorkomen, zoals onduidelijkheid over de toerekening van specifieke bezittingen aan de juiste partner. Na het bepalen van de gezamenlijke grondslag kan deze onderling worden verdeeld, rekening houdend met het heffingvrije vermogen.
**Documenttitel: 1694055**
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**MEmo**
Hoe moet de gezamenlijke rendementsgrondslag voor de toepassing van artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001 worden berekend?
**Casus**
In artikel 2.17 Wet IB 2001 is de toerekening van onder andere bestanddelen van de rendementsgrondslag geregeld.
Volgens de hoofdregel (eerste lid) worden bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen horen. In artikel 2.17, tweede lid Wet IB 2001 is onder andere bepaald dat de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001 van belastingplichtige en zijn partner geacht wordt tot hun bezit te behoren, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen.
Vervolgens wordt in artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001 aangegeven dat, indien het gehele kalenderjaar sprake is van partnerschap (of dit voor de toepassing van artikel 2.17 Wet IB 2001 geacht wordt te zijn), de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen de gezamenlijke rendementsgrondslag is aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn partner voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner.
Artikel 5.3, eerste lid, Wet IB 2001 geeft aan dat de rendementsgrondslag de waarde bezittingen minus waarde schulden is.
**Vraag**
Hoe moet de gezamenlijke grondslag voor de toepassing van artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001 worden berekend?
**VERTROUWELIJK**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep IB-niet winst algemeen
Contactpersoon: 5.1.26 15.1.2e
Datum: 31 maart 2021
Versienummer: def
Referentienummer: KG 18-202-0008
Auteur: 5.1.2e
Behandeld door: Kopie aan: Leden kennisgroep
Bijlagen: Geen
Pagina 1 van 2
—
**Antwoord**
Om de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen te kunnen berekenen moeten de belastingplichtige en zijn voljaarpartner in de aangifte per categorie bezitting/schuld het gezamenlijke totaal aangeven.
**Beschouwing**
In artikel 2.17, eerste lid, Wet IB 2001 staat als hoofdregel voor de toerekening, dat bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking worden genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen horen. In het tweede lid staat vervolgens dat de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen (..) van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen (..) tot hun bezit te behoren (..) in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen.
De tekst van artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001 sluit uit dat een individuele rendementsgrondslag voor de partners wordt bepaald.
Met het woord ‘gezamenlijke’ in artikel 5.2, tweede lid, Wet IB 2001 wordt aangegeven dat wordt uitgegaan van de gezamenlijke bezittingen minus de gezamenlijke schulden en niet van het optellen van de voor beide partners afzonderlijk berekende rendementsgrondslag.
Het woord ‘gezamenlijke’ wordt op dezelfde wijze uitgelegd in de artikelen 8.19 en 8.20 (inmiddels vervallen) Wet IB 2001. Voor belastingplichtigen die het hele jaar elkaars fiscaal partner zijn (of voor de toepassing van artikel 2.17 Wet IB 2001 geacht worden te zijn), heeft de wetgever één bedrag opgenomen wat geldt voor belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk dat de wetgever heeft beoogd dat belastingplichtige en zijn voljaarpartner in de aangifte per categorie bezitting/schuld het gezamenlijke totaal aangeven. Een individuele toepassing zou leiden tot uitvoeringsproblemen. Er komen dan vragen op als: van welke partner zijn de aandelen? Van welke partner is het gezamenlijke banksaldo? Etc. Om dit te voorkomen wordt de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen berekend en kunnen de partners deze vervolgens onderling verdelen nadat het heffingvrije vermogen in aanmerking is genomen. Dit is ook de in de praktijk gevolgde aangiftewijze.
1 Kamerstukken II 2009/10, 32 130, nr. 3, p. 19-20, 39, 41, 44-45 en 56 (MvT) en in Kamerstukken II 2009/10, 32 130, nr. 7, p. 22-24 is een voorbeelduitwerking gegeven.
**VERTROUWELIJK**
Pagina 2 van 2
Geef een reactie