1694054

AI-samenvatting

Bij beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap hebben erfgenamen de keuze om de nalatenschap te aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving, wat hen beschermt tegen aansprakelijkheid voor schulden die de waarde van de bezittingen overstijgen. Na beneficiaire aanvaarding moeten erfgenamen de bezittingen en schulden in box 3 aangeven, zonder deze te salderen. Indien schulden de bezittingen overstijgen, mogen zij het negatieve saldo niet in hun aangifte opnemen. Kosten van vereffening gaan voor op andere schulden, en erfgenamen zijn verantwoordelijk voor deze kosten uit eigen vermogen indien deze niet uit de nalatenschap kunnen worden voldaan. De keuze voor beneficiaire aanvaarding is onherroepelijk en werkt terug tot het moment van overlijden. Bij latere schuldeisers zijn erfgenamen alleen aansprakelijk voor schulden tot de waarde van de bezittingen.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Bij beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap hebben erfgenamen de keuze om de nalatenschap te aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving, wat hen beschermt tegen aansprakelijkheid voor schulden die de waarde van de bezittingen overstijgen. Na beneficiaire aanvaarding moeten erfgenamen de bezittingen en schulden in box 3 aangeven, zonder deze te salderen. Indien schulden de bezittingen overstijgen, mogen zij het negatieve saldo niet in hun aangifte opnemen. Kosten van vereffening gaan voor op andere schulden, en erfgenamen zijn verantwoordelijk voor deze kosten uit eigen vermogen indien deze niet uit de nalatenschap kunnen worden voldaan. De keuze voor beneficiaire aanvaarding is onherroepelijk en werkt terug tot het moment van overlijden. Bij latere schuldeisers zijn erfgenamen alleen aansprakelijk voor schulden tot de waarde van de bezittingen.

**Documenttitel: 1694054**

**Belastingdienst**
Kennisgroep IB niet-winst algemeen
Contactpersoon
Datum: 5 februari 2019
Versienummer: 1

### Beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap en de waardering in box 3

**Casus**
Erflater overlijdt in een bepaald jaar. Er is geen overzicht van bezittingen en schulden op het moment van overlijden. Er zijn twee (wettelijke) erfgenamen. Vanwege de onduidelijkheid omtrent de omvang van de boedel besluiten beide erfgenamen de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair te aanvaarden).

**Vragen**
1. Moeten de erfgenamen na de boedelbeschrijving van de nalatenschap deze alsnog aanvaarden of verwerpen?
2. Moeten de erfgenamen in geval van beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap hun gerechtigdheid aangeven in box 3?
3. Wat zijn de gevolgen voor box 3 indien na de verdeling van het overschot van de nalatenschap een schuldeiser opkomt?
4. Bestaat er ten aanzien van vraag 2 en 3 een verschil tussen erfgenamen die zuiver en beneficiair hebben aanvaard?
5. Hebben vrijgestelde bezittingen in box 3 invloed op de waardering van de bezittingen en schulden van een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard?
6. Wat is de invloed van de mogelijke kosten van de vereffening van de nalatenschap op de waarde van de onverdeelde boedel?

Voordat we de vragen beantwoorden op welke wijze de bezittingen en schulden in een beneficiair aanvaarde nalatenschap gewaardeerd dienen te worden in box 3, geven we eerst een (civiele) beschouwing over het beneficiair aanvaarden van een nalatenschap.

### De (civiele) beschouwing

**Aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap**
Een erfgenaam, die tot een nalatenschap geroepen wordt, wordt door de wet de keuze gelaten tussen de volgende mogelijkheden:
1. de nalatenschap zuiver te aanvaarden;
2. de nalatenschap te aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiaire aanvaarding);
3. de nalatenschap te verwerpen.

Dit is geregeld in artikel 4:190, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De keuze is onvoorwaardelijk, zonder tijdsbepaling en betreft het volledige erfdeel van een erfgenaam (artikel 4:190, lid 3, BW).

“Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen der nalatenschap” (artikel 4:190, lid 4, BW). Iedere erfgenaam maakt een eigen keuze. Derhalve kan het zijn dat de ene erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardt en de andere aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving of verwerpt.

“Het aanvaarden van een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft vier rechtsgevolgen:
– de erfgenamen worden niet met hun gehele vermogen voor de schulden der nalatenschap aansprakelijk (artikel 4:184, BW);
– er vindt geen boedelmenging met het overige vermogen van de erfgenaam plaats (artikel 4:200, BW);
– de erfgenamen moeten de nalatenschap in beginsel afwikkelen met inachtneming van afdeling 4.6.3 (artikel 4:195, BW jo. Artikel 4:202, BW);
– op grond van art. 3:321 lid 1 aanhef en letter e, BW bestaat een grond voor verlenging van de verjaring tussen de beneficiair aanvaarde nalatenschap en een erfgenaam.

**De vereffening van de nalatenschap**
“Is een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair aanvaard en moet zij uit dien hoofde overeenkomstig de volgende afdeling van deze titel worden vereffend, dan zijn alle erfgenamen vereffenaar” (artikel 4:195, lid 1, BW).

Indien een nalatenschap beneficiair aanvaard wordt, dan moet de nalatenschap in beginsel volgens de wet vereffend worden (er bestaat een lichte en zware vereffeningsprocedure). De bepalingen zijn vastgelegd in afdeling 4.6.3, BW (artikelen 4:202 tot en met 4:226, BW). Deze voorschriften zijn te vergelijken met een faillissementsprocedure en werken over het algemeen kostenverhogend.

De bevoegdheden als vereffenaars worden in beginsel tezamen door de erfgenamen uitgevoerd (artikel 4:198, BW). “Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, oefenen de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uit, doch kunnen daden van gewoon onderhoud en tot behoud van goederen, en in het algemeen daden die geen uitstel kunnen lijden, door ieder van hen zo nodig zelfstandig worden verricht” (artikel 4:198, BW).

“Een vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen” (artikel 4:211, BW).

De vereffeningsprocedure laat zich, in het kort, als volgt omschrijven:
1. Beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap (artikel 4:190 en 4:191, BW);
2. Boedelbeschrijving opmaken (van alle bezittingen en schulden van de erflater, artikel 4:211, BW);
3. Boedelbeschrijving ter inzage leggen (artikel 4:211, BW);
4. Informatie en overleg schuldeisers (artikel 4:214 BW);
5. Verkoop bezittingen (voor zover nodig) en betaling schuldeisers (artikel 4:215 tot en met 4:220 en 4:224, BW);
6. Verdeling van het overschot van de nalatenschap (artikel 4:226, BW).

De fase van vereffening eindigt zonder nadere formaliteiten, indien alle schulden van de nalatenschap zijn voldaan, alle tegoeden zijn ontvangen en geen goederen meer te vereffenen vallen.

Indien een erfgenaam in ernstige mate tekortschiet in de vervulling van zijn verplichtingen als vereffenaar wordt hij met zijn eigen vermogen aansprakelijk (artikel 4:184, lid 2, sub d, BW), dus ook wanneer hij beneficiair heeft aanvaard.

Indien schuldeisers van de nalatenschap opkomen, nadat de uitdelingslijst is vastgesteld, is het volgende van toepassing (artikel 4:220, lid 2, BW):
“Schuldeisers van de nalatenschap die pas na het verbindend worden van een uitdelingslijst opkomen, hebben, onverminderd hun verhaal op de goederen van erfgenamen die met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn, alleen recht van verhaal op de alsdan nog onverkochte goederen en op het saldo der nalatenschap. Zij worden daaruit voldaan naar gelang zij zich aanmelden.”

De erfgenaam zet een lopende verjaring voort (artikel 3:102, lid 1 BW).

Samenvattend komt het vorenstaande op het volgende neer: Beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap is een bijzondere vorm van aanvaarding. Het brengt een aantal verplichtingen met zich mee, zoals de vereffeningsprocedure ten aanzien van de nalatenschap. De beslissing om de nalatenschap zuiver te aanvaarden, beneficiair te aanvaarden of te verwerpen werkt terug tot het moment van openvallen van de nalatenschap (het overlijden van de erflater). Iedere erfgenaam maakt een eigen keuze. De erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard deelt mee in (het saldo van) de nalatenschap, maar kan echter niet in zijn eigen vermogen worden aangesproken indien het saldo van de nalatenschap negatief is. Hij is slechts aansprakelijk voor schulden van de nalatenschap voor zover er bezittingen tegenover staan (tenzij, zoals boven vermeld artikel 4:184 lid 2 sub d, BW van toepassing is).

### Vermogensrendementsheffing (box 3)
Zodra de erflater is overleden, komen de bezittingen en schulden toe aan de erfgenaam of erfgenamen; de zogenaamde saisineregeling; artikel 4:182 lid 1, BW: “Met het overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap.”

Op de eerstvolgende peildatum behoren de bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 5.3 Wet IB 2001 dan ook tot de grondslag sparen en beleggen van de erfgenaam of erfgenamen. Deze moeten dan per (aandeel in de) bezitting en schuld worden aangegeven en worden derhalve niet gesaldeerd (BNB 1991/112). Ook als de boedel nog onder het beheer van de bewindvoerder of executeur-testamentair valt, moeten de bezittingen en de schulden bij de gerechtigden in aanmerking worden genomen.

Indien de nalatenschap beneficiair is aanvaard geldt echter dat wanneer de (waarde van de) schulden de (waarde van de) bezittingen overstijgen, de beneficiair erfgenaam niet aangesproken kan worden voor het negatieve saldo en hij dit negatieve saldo ook niet in zijn aangifte mag aangeven. Met andere woorden: de schuld in box 3 is maximaal de waarde van de bezitting van de beneficiair erfgenaam (verminderd met de eventuele schuldendrempel).

**Voorbeeld 1:**
Belanghebbende heeft (zelf) geen bezittingen en geen schulden. Belanghebbende heeft geen fiscaal partner. Hij is erfgenaam van zijn vader en aanvaardt deze nalatenschap beneficiair. Bij de afwikkeling van de nalatenschap blijkt dat hij een bankrekening van € 50.000 verkrijgt en een schuld van € 100.000. Aangezien belanghebbende beneficiair heeft aanvaard, kan hij niet aangesproken worden voor het negatieve saldo en hij mag dit negatieve saldo ook niet in zijn aangifte aangeven. Zijn bezittingen bedragen € 50.000 en zijn schuld bedraagt ook € 50.000. Na aftrek van de schuldendrempel van € 3.100, bedraagt de schuld € 46.900. De rendementsgrondslag bedraagt € 3.100. Na aftrek van het heffingsvrije vermogen van € 30.360, bedraagt de grondslag sparen en beleggen € nihil.

Mocht er sprake zijn van vrijgestelde bezittingen (zoals groene beleggingen in de zin van artikel 5.13 Wet IB) die tot de beneficiair aanvaarde nalatenschap behoren, dan kan dit wel leiden tot een negatief saldo (ten aanzien van nalatenschap) in de aangifte, aangezien de waarde van de vrijgestelde bezitting in de aangifte niet tot uitdrukking komt en schulden wel.

Volledigheidshalve merken wij op dat indien het totaal van de schulden (uit de nalatenschap en de ‘eigen schulden’) de bezittingen (uit de nalatenschap en de ‘eigen bezittingen’) overstijgt de grondslag sparen en beleggen vastgesteld wordt op € nihil.

**Voorbeeld 2:**
Belanghebbende heeft (zelf) geen bezittingen en geen schulden. Belanghebbende heeft geen fiscaal partner. Hij is erfgenaam van zijn vader en aanvaardt deze nalatenschap beneficiair. Bij de afwikkeling van de nalatenschap blijkt dat hij € 50.000 aan groene beleggingen verkrijgt (vrijgestelde bezittingen) en een schuld van € 25.000. Belanghebbende verantwoord op de eerstvolgende peildatum een grondslag sparen en beleggen van € nihil.

**Voorbeeld 3:**
Belanghebbende heeft een bankrekening van € 75.000, hij heeft geen schulden. Belanghebbende heeft geen fiscaal partner. Hij is erfgenaam van zijn vader en aanvaardt deze nalatenschap beneficiair. Bij de afwikkeling van de nalatenschap blijkt dat hij € 50.000 aan groene beleggingen verkrijgt (vrijgestelde bezittingen) en een schuld van € 25.000. Belanghebbende verantwoord op de eerstvolgende peildatum een grondslag sparen en beleggen van € 22.740.

Zijn bezittingen bedragen € 75.000 (bankrekening). De groene beleggingen zijn vrijgesteld op grond van artikel 5.13 Wet IB 2001. De schuld van belanghebbende bedraagt € 25.000. Na aftrek van de schuldendrempel van € 3.100, bedraagt de schuld € 21.900. De rendementsgrondslag bedraagt € 53.100. Na aftrek van het heffingsvrije vermogen van € 30.360, bedraagt de grondslag sparen en beleggen € 22.740.

Voor de waardering dient niet alleen rekening te worden gehouden met de waardebepalende omstandigheden die op de peildatum aan de erfgenaam bekend zijn of kunnen zijn, maar ook met hetgeen na dat tijdstip bekend is geworden omtrent de destijds bestaande werkelijke toestand (ECLI:NL:GHLEE: 2009: BK8646).

### Kosten vereffening
Bij een (beneficiaire) aanvaarding gaan de schuldeisers van de erflater voor op de erfgenamen. Algemeen aanvaard is echter dat de kosten van de vereffening vóór de andere schulden gaan. Als er adviseurs worden ingeschakeld die niet voldaan kunnen worden uit de nalatenschap dan is de beneficiair aanvaarder als opdrachtgever gehouden om de (vereffenings)kosten voor zover nodig uit eigen vermogen te betalen.

Zodra door een opdracht tot vereffening van de nalatenschap een financiële verplichting (schuld) ontstaat die op geld waardeerbaar is, dient deze als schuld in box 3 te worden opgenomen, ook als deze mogelijk uit de nalatenschap kan worden voldaan.

### Antwoorden
1. Nee, de uitgebrachte keuze, in dit geval beneficiaire aanvaarding, is onvoorwaardelijk; artikel 4:190 lid 3 BW. Men kan daarna niet meer zuiver aanvaarden of verwerpen.
2. Ja. Zodra de erflater is overleden, komen de bezittingen en schulden, indien ze de nalatenschap (beneficiair) hebben aanvaard, toe aan de erfgenaam of erfgenamen. Op de eerstvolgende peildatum behoren de bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 5.3 Wet IB 2001 dan ook tot de grondslag sparen en beleggen van de erfgenaam of erfgenamen. Deze moeten dan per (aandeel in de) bezitting en schuld worden aangegeven en worden derhalve niet gesaldeerd.
3. Schuldeisers dienen de erfgenamen persoonlijk aansprakelijk te stellen. De nalatenschap is namelijk verdeeld (er is geen nalatenschap meer). Het betreft dan een persoonlijke schuld van de erfgenaam. Indien een erfgenaam de schuld voorschiet, heeft hij een vorderingsrecht/regresrecht op de andere erfgenamen. De erfgenaam is namelijk niet verder aansprakelijk dan zijn erfdeel (hij is slechts aansprakelijk voor schulden van de nalatenschap voor zover er bezittingen tegenover staan). Voor de waardering in box 3 dient rekening te worden gehouden met deze vordering(en) en schuld(en).
4. Ja, er bestaat ten aanzien van vraag 2 en 3 een verschil tussen erfgenamen die zuiver en beneficiair hebben aanvaard. Bij erfgenamen die beneficiair hebben aanvaard, zijn de schulden in box 3 maximaal de waarde van de bezittingen van de beneficiair erfgenaam. Een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden uit de nalatenschap. Bij zuivere aanvaarding staat de erfgenaam namelijk met zijn eigen vermogen in voor de schulden der nalatenschap. Als gevolg daarvan kan er sprake zijn van een negatief saldo (ten aanzien van nalatenschap) in de aangifte. Ditzelfde geldt voor later opgekomen schuldeisers.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *