1694013

AI-samenvatting

De standaardheffingskorting bestaat uit vier delen: het belastingdeel en drie premiedelen (AOW, Anw, Wlz). Bij het berekenen van de heffingskorting moet rekening worden gehouden met de tijdsevenredige toekenning en de afronding. Heffings- en premiepercentages dienen niet te worden afgerond, terwijl het totale premiedeel en het belastingdeel wel in het voordeel van de belastingplichtige kunnen worden afgerond, met een maximum volgens de wet. De Wet inkomstenbelasting 2001 biedt geen specifieke regels voor tussentijdse afrondingen, maar het is gebruikelijk dat afrondingen in het voordeel van de belastingplichtige plaatsvinden. De gecombineerde heffingskorting wordt berekend zonder expliciete afrondingsregels, wat leidt tot variaties in de vaststelling van de heffingskorting voor AOW-gerechtigden in verschillende jaren.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

De standaardheffingskorting bestaat uit vier delen: het belastingdeel en drie premiedelen (AOW, Anw, Wlz). Bij het berekenen van de heffingskorting moet rekening worden gehouden met de tijdsevenredige toekenning en de afronding. Heffings- en premiepercentages dienen niet te worden afgerond, terwijl het totale premiedeel en het belastingdeel wel in het voordeel van de belastingplichtige kunnen worden afgerond, met een maximum volgens de wet. De Wet inkomstenbelasting 2001 biedt geen specifieke regels voor tussentijdse afrondingen, maar het is gebruikelijk dat afrondingen in het voordeel van de belastingplichtige plaatsvinden. De gecombineerde heffingskorting wordt berekend zonder expliciete afrondingsregels, wat leidt tot variaties in de vaststelling van de heffingskorting voor AOW-gerechtigden in verschillende jaren.

**Documenttitel: 1694013**

**Inkomstenbelasting niet-winst algemeen**

**Contactgegevens**
Postbus Kennisgrasa
Inkomstenbelasting niet-winst algemeen
Datum: 17 februari 2022
Referentie: WE 21-202-0025
Bijlagen: Geen

**Aanleiding**
De standaardheffingskorting bestaat uit vier verschillende delen: een heffingskorting voor de inkomstenbelasting (hierna: IE-deel of belastingdeel), een heffingskorting voor de algemene ouderdomswet (hierna: AOW-deel), een heffingskorting voor de algemene nabestaandenwet (hierna: Anw-deel) en een heffingskorting voor de wet langdurige zorg (hierna: Wlz-deel). Het AOW-deel, Anw-deel en Wlz-deel vormen samen het premiedeel van de heffingskorting. Wanneer een belastingplichtige slechts recht heeft op enkele delen van de heffingskorting of voor maar een gedeelte van het jaar hierop recht heeft, zal de hoogte van de heffingskorting per deel respectievelijk tijdsevenredig moeten worden berekend. Het is de vraag wanneer en op welke wijze in de berekening van de hoogte van de heffingskorting moet worden afgerond. Dit afrondingsvraagstuk geldt zowel voor de berekening van de verschillende heffings- en premiepercentages als voor de berekening van de hoogte van de (verschillende delen van) heffingskorting.

**Vragen**
1. Op welke wijze moeten de heffings- en premiepercentages voor de berekening van de (verschillende delen van de) heffingskorting worden afgerond?
2. Op welke wijze moet het bedrag van de (verschillende delen van de) heffingskorting worden afgerond?

**Antwoorden**
1. De heffings- en premiepercentages ter berekening van de hoogte van (delen van de) heffingskorting dienen niet te worden afgerond.
2. Bij de berekening van de afzonderlijke delen van het premiedeel van de heffingskorting wordt niet afgerond. Enkel het premiedeel (als som van het AOW-, Anw- en Wlz-deel) en het belastingdeel van de heffingskorting worden afgerond in het voordeel van de belastingplichtige, met dien verstande dat het bedrag van de heffingskorting nooit hoger kan zijn dan het maximumbedrag dat in de wet is genoemd.

**Beschouwing**
Algemeen
In zijn algemeenheid geldt dat berekeningen tussentijds nooit dienen te worden afgerond. In het kader van de belastingwetgeving wordt regelmatig het standpunt ingenomen dat afrondingen plaats moeten vinden in het voordeel van de belastingplichtige. Dit is echter niet gecodificeerd in de wet. De Hoge Raad heeft inzake de Wet op de omzetbelasting 1968 een arrest gewezen waarbij is geoordeeld dat steeds rekenkundig dient te worden afgerond (HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:B11980). In een daaraan voorafgaand arrest is onder verwijzing naar de voorafgaande uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam opgenomen dat ‘Naar het oordeel van het Hof (…) aannemelijk (is) dat de fiscale wetgever in Nederland in het algemeen uitgaat van afronding volgens de rekenkundige methode (ro. 3.2.3). In r.o. 3.4.1 overweegt de Hoge Raad vervolgens: “Wel is het in Nederland gebruikelijk dat in een belastingaangifte te vermelden bedragen in het voordeel van de belastingplichtige worden afgerond op gehele euro’s” (HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT8208).

**Wet- en regelgeving**
In de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn de volgende definities opgenomen van de relevante begrippen:
– Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel c: het gecombineerde heffingspercentage is de som van het belastingtarief eerste schijf en de op grond van artikel 11 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsw) vastgestelde premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering (hierna: AOW), de nabestaandenverzekering (hierna: Anw) en de verzekering langdurige zorg (hierna: Wlz).
– Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel d: de gecombineerde heffingskorting is het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de AOW, de Anw en de Wlz.
– Artikel 8.2: De standaardheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van de (kortingen).
– Artikel 8.3: De heffingskorting voor de inkomstenbelasting is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage.
– Artikelen 8.4-8.6: De heffingskorting voor respectievelijk de AOW, de Anw en de Wlz is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11, respectievelijk eerste, tweede en derde lid, Wfsw vastgestelde premiepercentage staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

**Ad 1 | Afronding heffings- en premiepercentages**
In de Wet IB 2001 en in de Wfsw zijn geen algemene voorschriften opgenomen voor het — al dan niet tussentijds — afronden van berekeningen. Alleen in artikel 2.6 Reg. Wfsw is voor de premieheffing opgenomen dat het heffingspercentage – als som van verschillende tijdsevenredige delen van de premiepercentages – wordt afgerond op honderdsten naar beneden. Hieruit kan worden afgeleid dat de verschillende delen van premiepercentages tussentijds niet worden afgerond. Indien slechts een gedeelte van het kalenderjaar recht bestaat op (een deel van) de heffingskorting, is een afronding van de heffings- en premiepercentages niet nodig. Zowel in artikel 2.7, tweede lid, Wet IB 2001 als in artikel 2.6a Reg. Wfsw wordt gesteld dat (het bedrag van) de heffingskorting tijdsevenredig wordt verminderd. Met andere woorden: eerst kunnen de bedragen van de (volledige) delen van de heffingskorting worden berekend en deze kunnen vervolgens tijdsevenredig worden verminderd.

**Ad 2 | Afronding bedrag van de (delen van de) heffingskorting**
Volgens artikel 8.1 Wet IB 2001 is de gecombineerde heffingskorting het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg. De berekening is toegelicht in de artikelen 8.3-8.7 Wet IB 2001. Uit de tekst van de artikelen blijkt niet hoe en wanneer de verschillende heffingskortingen worden afgerond.

**Bijlage**
Afrondingsmethodiek bij de invoering van de Wet IB 2001
In het voorbeeld uit de Memorie van Toelichting bij de invoering van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, p. 282-283) wordt geconcludeerd dat de algemene heffingskorting in dit geval € 1.183 bedraagt.

**Voorbeeld van later gehanteerde afronding**
Uit de Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2020 (Kamerstukken II 2018-2020, 35302, nr. 3, p. 8) blijkt dat de algemene heffingskorting voor AOW-gerechtigden in de jaren 2019 tot en met 2021 anders wordt vastgesteld.

**Conclusie**
De algemene heffingskorting voor AOW-gerechtigden bedraagt in 2020 volgens de Memorie van Toelichting € 1.413. Dit is alleen te bereiken door het IB-deel naar boven af te ronden en de som van de premiedelen naar boven af te ronden.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *