AI-samenvatting
Dit memo van de Belastingdienst, gedateerd 4 oktober 2021, biedt een overzicht van de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven in verschillende belastingjaren, met aanpassingen door de Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven die op 1 januari 2022 ingaat. Voor 1 juli 2015 konden studenten onder bepaalde voorwaarden studiekosten aftrekken, maar vanaf 1 juli 2015 zijn scholingsuitgaven voor studenten met studiefinanciering niet meer aftrekbaar. Kosten gemaakt vóór 1 januari 2022 blijven onder voorwaarden aftrekbaar, terwijl na deze datum gemaakte kosten niet meer in aanmerking komen voor aftrek. Het overgangsrecht blijft van toepassing tot 31 december 2031 voor niet omgezette prestatiebeurzen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Dit memo van de Belastingdienst, gedateerd 4 oktober 2021, biedt een overzicht van de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven in verschillende belastingjaren, met aanpassingen door de Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven die op 1 januari 2022 ingaat. Voor 1 juli 2015 konden studenten onder bepaalde voorwaarden studiekosten aftrekken, maar vanaf 1 juli 2015 zijn scholingsuitgaven voor studenten met studiefinanciering niet meer aftrekbaar. Kosten gemaakt vóór 1 januari 2022 blijven onder voorwaarden aftrekbaar, terwijl na deze datum gemaakte kosten niet meer in aanmerking komen voor aftrek. Het overgangsrecht blijft van toepassing tot 31 december 2031 voor niet omgezette prestatiebeurzen.
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep Inkomstenbelasting niet winst algemeen
Contactgegevens: 5.1.2e
Datum: 4 oktober 2021
Fiscale aftrek scholingsuitgaven Versie 1.0
Referentienummer: KG 21-202-0022
Auteur: [GEANONIMISEERD]
Bijlagen: Geen
Dit memo is een actualisering van KG 15-202-0005 d.d. 28 juli 2015. Het memo is aangepast naar aanleiding van Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven.
**Inleiding**
Dit memo geeft een overzicht van de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven in de verschillende belastingjaren voor de situatie dat sprake is van een vorm van studiebekostiging door de overheid. Daarbij wordt ingegaan op de Wet studievoorschot hoger onderwijs (Stb. 2015, 51), waarvan de fiscale gevolgen zijn ingegaan op 1 juli 2015 en de Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven (Stb. 2019, 514), waarvan de fiscale gevolgen vanaf 1 januari 2022 ingaan.
**De fiscale behandeling vóór 1 juli 2015**
In de studiefinancieringsregeling tot en met 2012 gold (kortgezegd) dat voor studenten in het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs de studiekosten forfaitair werden bepaald. Dit was uitgewerkt in artikel 6.29, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001, zoals dat luidde op 31 december 2012. Artikel 6.28, tweede lid, van de Wet IB 2001 juncto artikel 3.104, onderdeel d, van de Wet IB 2001, zoals die artikelen luidden op 31 december 2012, gaf aan dat studenten die een prestatiebeurs in de vorm van een gift of een voorwaardelijke gift ontvingen in zoverre niet voor de aftrek van studiekosten in aanmerking kwamen. Indien de prestatiebeurs definitief niet werd omgezet in een gift en dus een lening bleef, konden de studiekosten op dat moment in aftrek worden genomen (artikel 6.29, zesde lid, van de Wet IB 2001, zoals dat op 31 december 2012 luidde). Voor dure studies was een andere regeling van toepassing. Deze was uitgewerkt in artikel 6.29, derde en vierde lid, van de Wet IB 2001, zoals dat op 31 december 2012 luidde.
Vanaf 2013 is de regeling zoals die gold tot en met 2012 komen te vervallen. Artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 is aangepast en geeft aan dat de daadwerkelijke kosten van een aantal met name genoemde categorieën voor aftrek in aanmerking komen. Op grond van artikel 6.28, tweede lid, van de Wet IB 2001, zoals dat op 30 juni 2015 luidde, werden deze kosten verminderd met de ontvangen prestatiebeurs.
Indien de prestatiebeurs definitief niet werd omgezet in een gift, bleef het een lening. In die situatie konden de studiekosten die (nog) niet in aftrek waren gekomen, doordat de prestatiebeurs in mindering werd gebracht op de werkelijke kosten, overeenkomstig artikel 6.28, derde lid, van de Wet IB 2001, zoals dat op 30 juni 2015 luidde, op dat moment in aftrek worden genomen voor de bedragen die waren uitgewerkt in artikel 6.28, vierde lid, van de Wet IB 2001, zoals dat op 30 juni 2015 luidde.
Op grond van artikel 10a.16 van de Wet IB 2001 blijft het bovenstaande van toepassing op scholingsuitgaven die betrekking hebben op de studiejaren tot en met het studiejaar 2014/2015. Dit betekent dat studiekosten die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan 1 juli 2015, maar betaald worden na 1 juli 2015, wel voor aftrek in aanmerking komen.
**De fiscale behandeling in de periode van 1 juli 2015 t/m 31 december 2021**
Ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs werden een aantal fiscale bepalingen gewijzigd. Artikel 6.28 van de Wet IB 2001, zoals dat geldt van 1 juli 2015 t/m 31 december 2021, geeft aan dat studenten die aanspraak hebben op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000) niet voor aftrek van scholingsuitgaven in aanmerking komen.
Deze studiefinanciering geldt in beginsel voor studenten van 18 tot 30 jaar. Dit betekent dat studenten die beroepsonderwijs of hoger onderwijs volgen en studiefinanciering ontvangen, niet voor aftrek van scholingsuitgaven in aanmerking komen. Scholingsuitgaven voor het studiejaar 2015/2016 en daaropvolgende jaren zijn voor deze studenten niet meer aftrekbaar.
Ook wanneer een student geen studiefinanciering aanvraagt en dus niets ontvangt, zijn de studiekosten niet aftrekbaar. Hij heeft immers wel aanspraak op studiefinanciering zolang hij aan de voorwaarden voldoet van de WSF 2000. Studenten die op grond van het overgangsrecht nog studiefinanciering ontvangen op basis van de oude regeling, komen met ingang van 1 juli 2015 ook niet voor aftrek van studiekosten in aanmerking. Zij ontvangen immers studiefinanciering als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1 van de WSF 2000.
Kosten die vóór 1 juli 2015 zijn gemaakt voor het studiejaar 2015/2016 en volgende studiejaren zijn wel aftrekbaar. Hierop dient de eventueel ontvangen studiefinanciering in mindering te worden gebracht. Kosten die na 1 juli zijn gemaakt voor het studiejaar 2015/2016 of volgende studiejaren zijn niet aftrekbaar.
Op basis van het overgangsrecht van artikel 10a.16 van de Wet IB 2001 blijft de bepaling van artikel 6.28 van de Wet IB 2001, zoals dat op 30 juni 2015 luidde, tot en met het studiejaar 2014/2015 van toepassing. Hieruit volgt dat ook een na 30 juni 2015 definitief niet tot gift omgezette prestatiebeurs voor de studiejaren tot en met 2014/2015 tot aftrek kan leiden. De in aanmerking te nemen scholingsuitgaven bedragen € 2.443 per studiejaar voor het hoger onderwijs en € 1.693 per studiejaar voor het beroepsonderwijs waarop de prestatiebeurs die definitief niet wordt omgezet in een gift betrekking heeft dan wel, indien dit lager is, op het bedrag van die prestatiebeurs.
**De fiscale behandeling vanaf 1 januari 2022**
Met ingang van 1 januari 2022 bestaat er ingevolge de Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven geen recht meer op aftrek van scholingsuitgaven. In plaats daarvan wordt een subsidieregeling gecreëerd.
Kosten die vóór 1 januari 2022 zijn gemaakt, maar betrekking hebben op latere jaren zijn wel aftrekbaar. Het dient hierbij te gaan om kosten waarvoor op dat moment reeds een reële betalingsverplichting gold. Hierop zijn de wettelijke voorwaarden voor de aftrek scholingsuitgaven zoals deze tot en met 31 december 2021 luiden, van toepassing. Kosten die na 31 december 2021 worden gemaakt zijn, ongeacht het jaar waarop ze betrekking hebben, niet aftrekbaar.
Het overgangsrecht van artikel 10a.16 van de Wet IB 2001 blijft wel gehandhaafd. Dit overgangsrecht komt pas op 31 december 2031 te vervallen (2031 is het laatste jaar waarin een prestatiebeurs definitief niet tot gift kan worden omgezet). Hierdoor blijft het, ook na het per 31 december 2021 vervallen van afdeling 6.7 (scholingsuitgaven) van de Wet IB 2001, mogelijk om bij een definitief niet in een gift omgezette prestatiebeurs alsnog de voorgenoemde bedragen in aftrek te brengen.
Verder geldt vanaf 1 januari 2022 overgangsrecht voor bedragen die worden ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van scholingsuitgaven die op grond van afdeling 6.7 van de Wet IB 2001 eerder in aftrek zijn gebracht. Op grond van het met ingang van 1 januari 2022 geldende artikel 10a.21 van de Wet IB 2001 blijft in die situatie artikel 3.139, onderdeel c, Wet IB 2001, zoals dat op 31 december 2021 luidt, van toepassing. Daarmee wordt deze bedragen als negatieve persoonsgebonden aftrek als inkomen in aanmerking genomen.
**VERTROUWELIJK**
Pagina 3 van 3
Geef een reactie