AI-samenvatting
Belastingplichtige heeft vanaf 1 juli 2020 extra kosten voor kleding en beddengoed gemaakt door ziekte of invaliditeit. De vraag is of de aftrek voor deze kosten naar tijdsgelang moet worden toegepast, inclusief de hoogte van de uitgaven. Volgens artikel 38, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001) moeten alle bedragen naar tijdsgelang worden toegepast, wat betekent dat bij extra kosten in 6 maanden de hoge aftrek van € 375 van toepassing is. De wettelijke basis voor deze aftrek is te vinden in artikel 6.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001. De taalkundige interpretatie van de wet ondersteunt deze conclusie, aangezien de tekst geen onderscheid maakt tussen uitgaven en aftrek. De tijdsgelange herrekening moet gebaseerd zijn op de periode van ziekte of invaliditeit, niet op de periode van uitgaven.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Belastingplichtige heeft vanaf 1 juli 2020 extra kosten voor kleding en beddengoed gemaakt door ziekte of invaliditeit. De vraag is of de aftrek voor deze kosten naar tijdsgelang moet worden toegepast, inclusief de hoogte van de uitgaven. Volgens artikel 38, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001) moeten alle bedragen naar tijdsgelang worden toegepast, wat betekent dat bij extra kosten in 6 maanden de hoge aftrek van € 375 van toepassing is. De wettelijke basis voor deze aftrek is te vinden in artikel 6.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001. De taalkundige interpretatie van de wet ondersteunt deze conclusie, aangezien de tekst geen onderscheid maakt tussen uitgaven en aftrek. De tijdsgelange herrekening moet gebaseerd zijn op de periode van ziekte of invaliditeit, niet op de periode van uitgaven.
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
Kennisgroep IB-niet winst
**Algemeen**
Contactpersoon
Datum: 2 september 2021
Versienummer: 0.1
Referentienummer: KG 21-202-0011
Auteur: [GEANONIMISEERD]
Kopie aan: Leden kennisgroep
**Casus**
Belastingplichtige maakt vanaf 1 juli 2020 als gevolg van ziekte of invaliditeit kosten voor extra kleding en beddengoed. De ziekte doet zich ook in latere jaren voor. Belanghebbende toont aan dat hij in de periode 1 juli — 31 december 2020 extra kosten heeft gehad.
**Bijlagen**
Geen
**Vraag**
Betreft het naar tijdsgelang toepassen van de aftrek voor extra kleding en beddengoed (artikel 38, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, hierna: URIB 2001) ook de hoogte van de uitgaven of alleen de hoogte van de aftrek? Met andere woorden, is in dit geval het hoge forfait van € 750 van toepassing?
**Antwoord**
Ja, op grond van de letterlijke tekst van artikel 38, tweede lid, URIB 2001 moeten alle bedragen in het eerste lid van dat artikel naar tijdsgelang worden toegepast. Dus ook het bedrag van de uitgaven. Dat betekent in de casus dat bij extra kosten in 6 maanden de hoge aftrek (€ 375 voor 6 maanden) verleend moet worden.
**Beschouwing**
**Wettelijk kader**
In artikel 6.17, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001, hierna: Wet IB 2001, is geregeld dat uitgaven voor specifieke zorgkosten uitgaven zijn, die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan. Artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, Wet IB 2001, rekent tot de aftrekbare uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, de uitgaven die zijn gedaan voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven. De omvang van de aftrek voor extra kleding en beddengoed wordt forfaitair bepaald aan de hand artikel 38 URIB 2001. Dit artikel luidt als volgt:
**Artikel 38**
**Uitgaven voor specifieke zorgkosten; extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven**
1. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 300 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 600 te boven gaan, voor een bedrag van € 750, indien:
a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort; en
b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.
2. Ingeval aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet gedurende het gehele kalenderjaar is voldaan, wordt dat lid naar tijdsgelang toegepast.
**Wetshistorie**
De tekst van artikel 38 URIB 2001 is gebaseerd op artikel 3c (later hernummerd in 3f) van de Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1964 en vervolgens artikel 12 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. Bij de invoering van geen van deze artikelen is een toelichting opgenomen met betrekking tot de tijdsgelange toepassing.
Ten tijde van de invoering van artikel 3c van de Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1964 bestond er nog geen laag en hoog forfaitair bedrag. Indien aan de voorwaarden voor aftrek werd voldaan, werd een forfaitair bedrag van fl 300 in aftrek toegestaan. Dit bedrag werd naar tijdsgelang herrekend indien niet gedurende het gehele kalenderjaar aan de voorwaarden werd voldaan. Het is dus duidelijk dat bedoeld is om het forfaitaire bedrag tijdsgelang te herrekenen.
Bij de invoering van een laag en hoog forfaitair bedrag is de bepaling over het tijdsgelang herrekenen niet gewijzigd en is niet toegelicht of deze herrekening ook zou moeten zien op het bedrag aan uitgaven. Nu de wetsgeschiedenis geen uitsluitsel geeft, moet met behulp van andere dan de wetshistorische interpretatie toepassing of uitleg van de rechtsregel worden bepaald.
Op deze casus kan de taalkundige- of grammaticale interpretatiemethode worden toegepast. Deze interpretatiemethode wordt hieronder nader toegelicht.
**De taalkundige- of grammaticale interpretatiemethode**
De taalkundige interpretatie of grammaticale interpretatie van de wet betekent het onderzoeken wat er naar spraakgebruik in de wet staat. Het gaat daarbij om een taalkundige ontleding.
Artikel 38, tweede lid, URIB 2001 bepaalt:
“Ingeval aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet gedurende het gehele kalenderjaar is voldaan, wordt dat lid naar tijdsgelang toegepast.”
De tekst van het tweede lid van artikel 38 URIB 2001 is algemeen en maakt geen onderscheid tussen de uitgaven en de aftrek. Op grond van de letterlijke tekst van artikel 38, tweede lid, URIB 2001 moeten alle bedragen in het eerste lid naar tijdsgelang worden toegepast. Deze uitleg is in het voordeel van de belastingplichtige, omdat eerder de uitgavengrens voor het hoge forfait wordt bereikt.
**Conclusie**
De interpretatie van de wet start altijd met de taalkundige of grammaticale uitleg van de wet, immers de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op de tekst van de wet. Als de tekst van de wet duidelijk is en maar één uitleg kent, is er geen reden de andere interpretatiemethoden te gebruiken. Naar onze mening lukt het niet om andere interpretatiemethoden hier toe te passen.
Op grond van de letterlijke tekst van artikel 38, tweede lid, URIB 2001 moeten alle bedragen in het eerste lid naar tijdsgelang worden toegepast. Dus ook het bedrag van de uitgaven. Dat betekent in de casus dat bij extra kosten in 6 maanden de hoge aftrek (€ 375 voor 6 maanden) verleend moet worden.
N.B.: voor de tijdsgelange herrekening moet worden gekeken naar de periode waarin sprake is van ziekte of invaliditeit en niet naar de periode waarin de uitgaven zijn gedaan. Mocht de ziekte op 1 juli van het belastingjaar aanvangen, maar de uitgaven worden gedaan vanaf 1 oktober, dan ziet de tijdsgelange herrekening op een periode van 6 maanden (i.p.v. 3 maanden).
**VERTROUWELIJK**
Geef een reactie