AI-samenvatting
Beide ouders hebben recht op aftrek van het forfaitaire bedrag voor dieetkosten van hun kinderen, maar deze aftrek moet worden verdeeld op basis van de zorgverdeling in het co-ouderschap. Volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 komen uitgaven voor specifieke zorgkosten voor kinderen jonger dan 27 jaar voor aftrek in aanmerking, ongeacht of de kinderen bij de belastingplichtige wonen. De forfaitaire aftrek is gebaseerd op de extra kosten van diëten, die zijn vastgesteld per persoon voor een volledig jaar. Aangezien de meerkosten per dieetvolgend kind zijn berekend, kunnen de co-ouders alleen het deel van de kosten in aftrek brengen dat daadwerkelijk op hen drukt. Dit voorkomt dat meerdere personen het volledige forfait voor één dieetvolgend kind claimen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Beide ouders hebben recht op aftrek van het forfaitaire bedrag voor dieetkosten van hun kinderen, maar deze aftrek moet worden verdeeld op basis van de zorgverdeling in het co-ouderschap. Volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 komen uitgaven voor specifieke zorgkosten voor kinderen jonger dan 27 jaar voor aftrek in aanmerking, ongeacht of de kinderen bij de belastingplichtige wonen. De forfaitaire aftrek is gebaseerd op de extra kosten van diëten, die zijn vastgesteld per persoon voor een volledig jaar. Aangezien de meerkosten per dieetvolgend kind zijn berekend, kunnen de co-ouders alleen het deel van de kosten in aftrek brengen dat daadwerkelijk op hen drukt. Dit voorkomt dat meerdere personen het volledige forfait voor één dieetvolgend kind claimen.
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
Kennisgroep IB-niet winst
algemeen
**Contactpersoon**
[5.1.2e]
**Datum**
14 juni 2021
**Versienummer**
1.0
**Referentienummer**
KG 21-202-0010
**Auteurs**
5.1.2e
**Casus**
Man en vrouw hebben samen 3 kinderen die jonger zijn dan 27 jaar. Deze kinderen volgen diëten die voldoen aan de voorwaarden voor aftrek. De man en vrouw zijn gescheiden en dragen beiden zorg voor de kinderen door middel van co-ouderschap. Dit houdt in dat ouders na hun scheiding apart wonen en om en om een huishouden voeren met de kinderen. Daardoor doen beide ouders uitgaven voor het dieet van hun kinderen. De man en vrouw hebben tijdens hun huwelijk altijd forfaitaire bedragen, volgens de dieettabel, als aftrek opgevoerd in hun aangiften. Na echtscheiding voeren ze, door middel van co-ouderschap, beiden een huishouding met de kinderen en doen ze beiden uitgaven m.b.t. de dieetkosten.
**Bijlagen**
Geen
**Vraag**
Hebben beide ouders recht op aftrek van het forfaitaire bedrag voor diëten?
**Antwoord**
Ja, beide ouders hebben recht op aftrek wegens de extra uitgaven voor diëten. De forfaitaire aftrek dient echter te worden verdeeld tussen beide ouders. Hierbij kan worden uitgegaan van de overeengekomen zorgverdeling.
**Beschouwing**
Op grond van artikel 6,16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen uitgaven voor specifieke zorgkosten voor kinderen jonger dan 27 jaar voor aftrek in aanmerking. Hierbij geldt niet de eis dat de kinderen daadwerkelijk tot het huishouden van belanghebbende dienen te behoren. Het voeren van een co-ouderschapsregeling is in zoverre dus niet van belang om gemaakte kosten voor een kind jonger dan 27 jaar in aftrek te kunnen brengen.
Artikel 6.17, lid 1, sub f, Wet IB 2001, rekent tot de aftrekbare uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet. Deze bepaling ziet slechts op de extra uitgaven die verbonden zijn aan het volgen van een dieet door degene aan wie dit is voorgeschreven (HR 13 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8753). De overige gezinsleden die om praktische of pedagogische redenen meedoen aan het dieet krijgen geen aftrek voor de extra uitgaven wegens het dieet.
De omvang van de extra kosten die betrekking hebben op het volgen van een dieet is forfaitair bepaald aan de hand van de dieetkostentabel die is opgenomen in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001). Het Nibud en het Voedingscentrum hebben per dieettype het forfait van dat dieet bepaald aan de hand van de meerkosten van dat dieettype ten opzichte van gezonde referentievoeding met als basis de aanbevolen hoeveelheden voeding per dag voor één volwassen man in de leeftijd van 19 t/m 50 jaar (de groep met de hoogste meerkosten). Vervolgens wordt dit bedrag omgerekend naar een bedrag per jaar (Ministeriële regeling van 17 december 2009, DB 2009-735 M, Stcrt. 2009, 20549). Hieruit volgt dat de meerkosten, en daarmee het forfait, zijn berekend op één persoon die een volledig jaar een dieet volgt. De bedoeling van de wetgever is dan ook dat per dieetvolgend persoon slechts eenmaal het forfaitaire bedrag kan worden toegepast.
In artikel 6.1, lid 1, sub a, Wet IB 2001 is de eis opgenomen dat de uitgaven op belanghebbende dienen te drukken. Uit het standpunt dat de Staatssecretaris heeft ingenomen bij de voorganger van de huidige bepalingen m.b.t. dieetaftrek (Infobulletin 85/254, V-N 1985/1476, 19), volgt dat aan het drukken-criterium wordt getoetst nadat is vastgesteld dat sprake is van voor aftrek in aanmerking komende meerkosten (forfait). Ontvangen vergoedingen komen naar aanleiding van dat standpunt op het forfaitaire bedrag (en niet op de werkelijke uitgaven) in mindering voor de beoordeling van de hoogte van de aftrek, omdat voor het deel van de vergoeding de meerkosten niet op de belastingplichtige drukken. Tot op heden wordt uitvoering aan dit standpunt gegeven; in de aangifte IB/PVV wordt een vergoeding op het forfait in mindering gebracht. Los van de bepalingen in artikel 37 URIB 2001 wordt dus getoetst of de meerkosten (het forfait) drukken.
In casu drukken niet alle meerkosten op de co-ouder, maar alleen de uitgaven voor de meerkosten van de diëten van de kinderen in verband met de periode dat de kinderen bij de co-ouder verblijven. Nu het forfait is berekend op de meerkosten van een dieet voor één persoon, zal per dieetvolgend kind moeten worden nagegaan op welke co-ouder de uitgaven voor de meerkosten drukken. Hierbij kan van belang worden geacht dat het feit dat een ander (deels) de dieetproducten aanschaft, kan worden gezien als een vergoeding in natura. Indien in casu niet wordt getoetst aan het drukken-criterium leidt dat ertoe dat beide co-ouders per dieetvolgend kind het gehele forfait in aftrek kunnen brengen. Deze redenering heeft tot gevolg dat meerdere personen in de kring van personen als bedoeld in artikel 6.16 Wet IB 2001 het volledige forfaitaire bedrag zouden kunnen claimen voor één dieetvolgend persoon.
**Voorbeeld:** een 19-jarige woont thuis bij zijn ouders. Hij eet o.a. in de kantine op school en als hij uit eten gaat doet hij extra uitgaven ten gevolge van zijn dieet. Deze uitgaven betaalt hij uit eigen middelen. Zijn ouders doen boodschappen en doen zodoende ook extra uitgaven ten gevolge van het dieet van hun zoon. In dit voorbeeld zouden zowel de ouders als de zoon het gehele forfaitaire bedrag claimen in hun aangifte.
Nu de meerkosten (forfait) zijn berekend op één persoon die een geheel jaar een dieet volgt, is deze uitwerking ongewenst. Gelet op het bovenstaande kunnen de co-ouders slechts het deel van de meerkosten (forfait) in aftrek brengen dat op hen drukt. Bij de bepaling van de toedeling van het forfaitaire bedrag kan rekening worden gehouden met de zorgverdeling zoals die is afgesproken in het co-ouderschapplan.
**NB:** Bij bepaalde diëten (zoals een glutenvrij dieet) moeten strenge hygiënische maatregelen in acht worden genomen om het glutenvrije dieet van het kind te garanderen. Co-ouders kunnen om die reden ervoor kiezen om ook zelf een glutenvrij dieet aan te houden, ook in de periode dat de kinderen bij de andere co-ouder verblijven. Nu de Hoge Raad heeft bepaald dat dit niet leidt tot aftrek bij de gezinsleden die mee diëten (ECLI:NL:HR:1993:BH8753), is dit geen argument om het volledige forfait toe te kennen aan beide co-ouders.
**VERTROUWELIJK**
Pagina 3 van 3
Geef een reactie