1693993

AI-samenvatting

Belastingplichtige heeft recht op aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten voor de verblijf- en reiskosten van zijn zoon gedurende de 24 weken dat deze vanwege de coronacrisis bij hem thuis verbleef. De zoon, die als ernstig gehandicapt wordt beschouwd en doorgaans in een WLZ-instelling verblijft, voldoet aan de voorwaarden voor deze aftrekpost volgens de Wet inkomstenbelasting 2001. De wet definieert weekenduitgaven als extra uitgaven voor de verzorging van een ernstig gehandicapt kind, en het begrip "doorgaans" impliceert dat de zoon normaal gesproken in de instelling verblijft, wat in dit geval ook zo is. Alle voorwaarden voor de aftrek zijn derhalve vervuld.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Belastingplichtige heeft recht op aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten voor de verblijf- en reiskosten van zijn zoon gedurende de 24 weken dat deze vanwege de coronacrisis bij hem thuis verbleef. De zoon, die als ernstig gehandicapt wordt beschouwd en doorgaans in een WLZ-instelling verblijft, voldoet aan de voorwaarden voor deze aftrekpost volgens de Wet inkomstenbelasting 2001. De wet definieert weekenduitgaven als extra uitgaven voor de verzorging van een ernstig gehandicapt kind, en het begrip "doorgaans" impliceert dat de zoon normaal gesproken in de instelling verblijft, wat in dit geval ook zo is. Alle voorwaarden voor de aftrek zijn derhalve vervuld.

**Belastingdienst**
**Belastingdienst/Directie MKB/Kantoor Doetinchem**
**MEMO Aftrek weekenduitgaven en uitleg criterium “doorgaans in een instelling verblijft”**

**Casus**
Belastingplichtige en zijn echtgenote hebben een gehandicapte zoon. Deze zoon woont in een gezinsvervangend tehuis (een WLZ-instelling). Belastingplichtige heeft in het verleden de kosten van verblijf van de zoon bij hem thuis en de reiskosten voor het halen en brengen van de zoon als weekenduitgaven voor gehandicapten tot de persoonsgebonden aftrek gerekend. In 2020 heeft de zoon in verband met de coronacrisis 24 weken bij belastingplichtige thuis verbleven, omdat het gezinsvervangend tehuis van de zoon “op slot” ging. De zoon zou volgens belastingplichtige een verblijf in een tehuis dat “op slot” is niet hebben kunnen verdragen en zou daar behoorlijk amok hebben gemaakt. De zoon is in die periode ook niet naar de dagbesteding geweest, want die was ook “op slot”. Volgens belastingplichtige is het bij hem thuis rustig en voorspelbaar. Dit zou voor zijn zoon — een geestelijk gehandicapte met een stoornis in het autistisch spectrum — het meest ideaal zijn.

**Vraag**
Heeft belastingplichtige recht op aftrek van zogenaamde weekenduitgaven voor gehandicapten voor de verblijf- en reiskosten die hij voor zijn zoon heeft gemaakt gedurende de in de casus omschreven periode van 24 weken?

**Antwoord**
Ja.

**Beschouwing**
**Relevant wettelijk kader**
Volgens artikel 6.1, tweede lid, aanhef, en onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) vormen weekenduitgaven voor gehandicapten een persoonsgebonden aftrekpost. Artikel 6.25, eerste lid, Wet IB 2001 definieert de weekenduitgaven voor gehandicapten als “…de extra uitgaven die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind, broer of zus, een onder zijn mentorschap gestelde ernstig gehandicapte persoon of een onder curatele gestelde ernstig gehandicapte persoon voor zover hij als curator de persoonlijke belangen behartigt, te verzorgen, mits dit kind, deze broer, zus of persoon 21 jaar of ouder is en doorgaans in een inrichting verblijft.”

Volgens artikel 6.25, derde lid, Wet IB 2001 jo. artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) wordt iemand als ernstig gehandicapt beschouwd indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens de Wet langdurige zorg geregelde intramurale inrichting. Tot slot bepaalt artikel 6.26 Wet IB 2001 jo. artikel 40, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001) tot welk bedrag weekenduitgaven voor gehandicapten in aanmerking worden genomen. Volgens die bepaling worden weekenduitgaven voor gehandicapten gesteld op:
a. € 11 per dag van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige, alsmede
b. € 0,19 per kilometer voor het vervoer per auto van de gehandicapte door de belastingplichtige over de reisafstand tussen de plaats waar de gehandicapte doorgaans verblijft en de plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft (bedragen 2020).

Dagen van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige zijn de dagen waarop de gehandicapte bij de belastingplichtige verblijft, met inbegrip van de dagen waarop de gehandicapte wordt gehaald of gebracht.

**Weekenduitgaven**
Het begrip “weekenduitgaven” is in de wet of in de uitvoeringsregeling niet nader ingevuld. Aan het gebruik van het woord “weekend” in de benaming van de aftrekpost hoeft geen formele betekenis toegekend te worden. Ook bij een verblijf bij de ouder, broer, zus of mentor op doordeweekse dagen en buiten de vakanties kan de ouder, broer, zus of mentor de kosten voor de verzorging en de reiskosten per auto in aanmerking nemen als weekenduitgaven voor gehandicapten. In dit verband wordt verwezen naar onderdeel 3.1 van het inmiddels vervallen besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M, waarin bij de berekening van het aftrekbare bedrag in die casus ook rekening wordt gehouden met de donderdag waarop het kind bij de ouder verblijft. Dat dit besluit is vervallen en dat het genoemde onderdeel niet langer is opgenomen in opvolgende besluiten betekent echter niet dat er een andere uitleg aan het begrip weekenduitgaven gegeven moet worden.

**Ernstig gehandicapt kind**
Het betreft in dit geval een zoon van de belastingplichtige. Het gaat dus om een eerstegraads bloedverwant in de neergaande lijn van de belastingplichtige, die daardoor valt onder de voor de belastingwet geldende definitie van het begrip “kind”, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef, en letter i, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De zoon woont (verblijft) in een WLZ-instelling en krijgt daar zorg. Een van de voorwaarden om voor aftrek weekenduitgaven in aanmerking te komen is dat de zoon aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens de Wet langdurige zorg geregelde intramurale inrichting.

De zoon kwalificeert dus als een ernstig gehandicapt kind van belastingplichtige, die bovendien voldoet aan de voorwaarde dat hij 21 jaar of ouder is.

**Doorgaans in een inrichting verblijven**
De vraag is of onder de omstandigheden van dit geval de zoon doorgaans in een inrichting verblijft. Van belang is daarbij hoe het begrip “doorgaans” opgevat moet worden. De wet geeft geen definitie van dit begrip. In de eerder aangehaalde Memorie van toelichting wordt op dezelfde pagina opgemerkt dat ouders van een ernstig gehandicapt kind geconfronteerd kunnen worden met extra uitgaven. Dit zal — aldus de MvT – met name het geval zijn als het kind normaal gesproken in een inrichting verblijft maar in het weekend en tijdens vakanties door de ouders wordt verzorgd.

De periode van 24 weken gedurende welke de zoon in verband met de coronacrisis bij belastingplichtige thuis heeft verbleven, is uitzonderlijk. Buiten die uitzonderlijke periode verblijft de zoon in een gezinsvervangend tehuis, een WLZ-instelling. De zoon verblijft daarom doorgaans in een instelling.

**Conclusie**
Er wordt in dit geval voldaan aan alle voorwaarden die gesteld zijn aan de aftrek wegens zogenaamde weekenduitgaven. Deze uitgaven worden in aanmerking genomen volgens de normen van artikel 40, eerste lid, URIB 2001.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *