1693989

AI-samenvatting

Bij de beoordeling van de verdeling van de persoonsgebonden aftrek tussen vollejaarspartners is vastgesteld dat zij de afzonderlijke aftrekposten in een door hen gewenste verhouding mogen toerekenen. Dit is in overeenstemming met de wetgeving, ondanks dat de wettekst suggereert dat het om een gezamenlijk bedrag gaat. De relevante artikelen van de Wet IB 2001 zijn sinds 2001 ongewijzigd en de praktijk ondersteunt de mogelijkheid voor partners om per aftrekpost een verdeling te kiezen. Het vervallen van een toelichtend beleidsbesluit heeft hierop geen invloed gehad, en een wijziging van de wettekst is niet noodzakelijk.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Bij de beoordeling van de verdeling van de persoonsgebonden aftrek tussen vollejaarspartners is vastgesteld dat zij de afzonderlijke aftrekposten in een door hen gewenste verhouding mogen toerekenen. Dit is in overeenstemming met de wetgeving, ondanks dat de wettekst suggereert dat het om een gezamenlijk bedrag gaat. De relevante artikelen van de Wet IB 2001 zijn sinds 2001 ongewijzigd en de praktijk ondersteunt de mogelijkheid voor partners om per aftrekpost een verdeling te kiezen. Het vervallen van een toelichtend beleidsbesluit heeft hierop geen invloed gehad, en een wijziging van de wettekst is niet noodzakelijk.

**Belastingdienst**
Kennisgroep IB niet-winst algemeen
Contactpersoon
5.1.2e
Ontwikkelplek/Lid kennisgroep
Corze 2e
Datum
15 december 2017
Wetsuitleg verdeling persoonsgebonden aftrek
Versienummer 1
Referentienummer 17-202-0025

**Casus**
Bij het verrichten van wets- en beleidsanalyses om vanuit de wet en het beleid de processen (automatisering) voor het berekenen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te vernieuwen is geconstateerd dat de relevante wet (naar de letter van de tekst) afwijkt van hoe we in de praktijk werken. Het betreft de verdeling van de persoonsgebonden aftrek tussen partners.

In de relevante wettekst (artikel 6.1, lid 1 en artikel 2.17, lid 5, sub c Wet IB 2001) wordt gesproken van het gezamenlijke bedrag van de persoonsgebonden aftrekposten. In de praktijk worden echter in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen de afzonderlijke persoonsgebonden aftrekposten toegerekend.

**Vraag**
Mogen vollejaarspartners de afzonderlijke persoonsgebonden aftrekposten toerekenen in de door hen gewenste verhouding, of moeten zij de persoonsgebonden aftrek (het totaal van de onderliggende aftrekposten plus het restant persoonsgebonden aftrek) toerekenen?

**Antwoord**
Vollejaarspartners mogen de afzonderlijke persoonsgebonden aftrekposten toerekenen in de door hen gewenste verhouding.

**Beschouwing**
In artikel 6.1, lid 1 Wet IB 2001 is (sinds 2001) het volgende opgenomen:
Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:
a) de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten; en
b) het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.

In artikel 2.17, lid 2 Wet IB 2001 is bepaald dat een belastingplichtige en zijn partner de onderlinge verdeling met betrekking tot (onder andere) gemeenschappelijke inkomensbestanddelen bij hun aangifte mogen kiezen. De persoonsgebonden aftrek is op basis van artikel 2.17, lid 5 Wet IB 2001 bij vollejaarspartners een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel.

Dit is als volgt verwoord:
Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft, zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen:
a) belastbare inkomsten uit eigen woning;
b) het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek;
c) de persoonsgebonden aftrek.

Bij besluit van 30 november 2001 is in onderdeel 2.12 expliciet aangegeven dat fiscale partners per persoonsgebonden aftrekpost een verdeling kunnen kiezen. Dit is als volgt verwoord in het besluit:
Partners kunnen per persoonsgebonden aftrekpost een verdeling kiezen.

Het besluit is vervolgens verschillende malen vervangen, waarbij er geen wijziging is gemaakt ten aanzien van onderdeel 2.12. Per 11 november 2011 is (onder andere) onderdeel 2.12 bij besluit vervallen. Hierbij is opgemerkt dat het onderdeel is vervallen, omdat het geen beleid, maar een toelichting betreft.

Het vervallen van het desbetreffende onderdeel in het besluit, omdat het slechts een toelichting betreft en geen beleid is, heeft volgens de kennisgroep niet tot gevolg dat de toelichting op de wettekst gewijzigd is. De bedoeling van de wetgever is ongewijzigd gebleven en nog steeds relevant.

De letter van de wettekst van de Wet IB 2001 suggereert echter dat het de verdeling van het gezamenlijke bedrag van de persoonsgebonden aftrek betreft. De teksten van artikelen 6.1, lid 1 en 2.17, lid 5 Wet IB zijn al sinds 2001 ongewijzigd. Hierdoor kunnen volgens de kennisgroep, partners — ook na het vervallen van onderdeel 2.12 – nog steeds per persoonsgebonden aftrekpost een verdeling kiezen. Wat zo ook in de praktijk gebeurt.

In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen staan namelijk de afzonderlijke persoonsgebonden aftrekposten in aparte rubrieken, waarbij de afzonderlijke persoonsgebonden aftrekposten mogen worden verdeeld.

Een wijziging van de wettekst van de Wet IB 2001 is naar de mening van de kennisgroep niet noodzakelijk. Dit mede gezien het feit dat de wetgever de Wet IB 2001 niet (in 2001) heeft gewijzigd, maar er toentertijd juist voor heeft gekozen een (toelichtend) beleidsbesluit uit te vaardigen.

Voor de verdeling van de belastbare inkomsten uit eigen woning en het voordeel uit sparen en beleggen (box 3) geldt overigens het volgende: wat de eigen woning betreft, geldt dat het saldo van het eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten van de eigen woning verdeeld kan worden tussen de belastingplichtige en zijn partner.

En met betrekking tot het voordeel uit sparen en beleggen is in artikel 5.2, lid 2 Wet IB 2001 (per 1 januari 2010) expliciet opgenomen op welke wijze artikel 2.17 Wet IB 2001 dient te worden uitgewerkt.

Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 2.17, lid 6 Wet IB 2001 wordt gesproken van ‘een’ persoonsgebonden aftrek in plaats van ‘de’ persoonsgebonden aftrek:
Indien een persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige in aanmerking is genomen bij zijn partner wordt een met die aftrek verband houdende negatieve persoonsgebonden aftrek eveneens in aanmerking genomen bij die partner, zo die persoon nog steeds kan kwalificeren als partner van de belastingplichtige.

Dit lid is in de wet opgenomen om manipulatie met de persoonsgebonden aftrekpost te voorkomen. Indien een persoonsgebonden aftrek naderhand leidt tot een negatieve persoonsgebonden aftrek dan geldt de indertijd gemaakte keuze ook voor deze negatief gebonden aftrek.

Met het woordje ‘een’ wordt terugverwezen naar de reeds in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrekpost.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *