AI-samenvatting
Het fiscaal partnerschap eindigt op de dag dat het echtscheidingsverzoek wordt ingediend, ook als de rechter het verzoek later niet ontvankelijk verklaart. Dit is gebaseerd op artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarin wordt gesteld dat een echtgenoot niet meer als partner wordt aangemerkt zodra een echtscheidingsverzoek is ingediend en de partners niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven. De wet hanteert objectieve criteria om de beëindiging van het partnerschap te bepalen, wat een vereenvoudiging van de regelgeving beoogt.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Het fiscaal partnerschap eindigt op de dag dat het echtscheidingsverzoek wordt ingediend, ook als de rechter het verzoek later niet ontvankelijk verklaart. Dit is gebaseerd op artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarin wordt gesteld dat een echtgenoot niet meer als partner wordt aangemerkt zodra een echtscheidingsverzoek is ingediend en de partners niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven. De wet hanteert objectieve criteria om de beëindiging van het partnerschap te bepalen, wat een vereenvoudiging van de regelgeving beoogt.
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
Naam dienstonderdeel
Kennisgroep IB niet winst
Contactpersoon
Lid kennisgroep
= 5.1.2e |
| | el | 1O
**Einde fiscaal partnerschap**
Datum
Versienummer
Referentienummer
17-202-0021
**Casus**
Datum vaststelling
Belastingplichtige heeft zich laten uitschrijven uit de basisregistratie personen en dient een echtscheidingsverzoek in bij de rechtbank. De echtscheiding komt echter niet tot stand omdat de rechter het echtscheidingsverzoek niet ontvankelijk verklaart.
**Auteur**
Vastgesteld door
Belastingplichtige en zijn ex-partner wonen op een ander adres in een eigen woning.
Behandeld door
5.1.2e
**Vraag**
Eindigt fiscaal het partnerschap? Zo ja, wanneer?
Kopie aan
Leden kennisgroep
**Antwoord**
Ja, het partnerschap eindigt op de dag dat het echtscheidingsverzoek wordt ingediend.
**Beschouwing**
Op grond van artikel 5a Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als partner aangemerkt de echtgenoot. Deze wordt niet meer als partner aangemerkt ingeval:
a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk scheiding van tafel en bed is ingediend, en
b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomstige registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige.
In de parlementaire geschiedenis is hierover het volgende opgemerkt:
“In het vierde lid is een regeling opgenomen voor de gevallen waarin het huwelijk gaat eindigen, dan wel de gehuwden van tafel en bed gaan gescheiden, maar de ontbinding van het huwelijk of een scheiding van tafel en bed nog niet heeft plaatsgevonden terwijl het verzoek hiertoe wel bij de rechtbank is ingediend. In die gevallen wordt het partnerschap geacht te zijn verbroken op het moment dat het verzoek tot echtscheiding, respectievelijk scheiding van tafel en bed is ingediend en de personen niet langer op hetzelfde woonadres in de GBA of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland, staan ingeschreven.”
En
“Het criterium ‘duurzaam gescheiden leven’ vervalt doordat in het nieuwe partnerbegrip aangesloten wordt bij objectief toetsbare criteria. Het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is zo'n objectief toetsbaar moment, aangezien zo'n verzoek wordt ingediend bij de rechtbank. Het nieuwe partnerbegrip betekent mede hierdoor een belangrijke vereenvoudiging. Een alternatief voor het aanhaken bij het moment van verzoek tot scheiding (of scheiding van tafel en bed) betekent dat opnieuw gewerkt zou moeten worden met materiële criteria. Deze kunnen moeilijk worden gecontroleerd door de Belastingdienst. Zo'n alternatief zou afbreuk doen aan de uitgangspunten van het nieuwe partnerbegrip en de bereikte vereenvoudiging op dit punt teniet doen. Bovendien stuit het nieuwe partnerbegrip beter aan bij de civielrechtelijke situatie. Mensen blijven immers civielrechtelijk ook partners/echtgenoten met alle gevolgen die daarbij horen tot het moment van scheiding of scheiding van tafel en bed. Het laatste zou overigens een oplossing kunnen zijn voor mensen die bijvoorbeeld om religieuze redenen niet definitief willen scheiden.”
Gezien het feit dat bewust is gekozen voor objectieve criteria, is het niet logisch om het partnerschap te laten herleven als het ingediende verzoek niet ontvankelijk wordt verklaard. In de wet staat bovendien expliciet vermeld dat het partnerschap eindigt bij de indiening van het verzoek. Indien ook gekeken moet worden naar het verdere verloop van dit verzoek, doet dit afbreuk aan de beoogde vereenvoudiging.
1 MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 130, nr. 3, V-N 2009/46.9,
2 Brief 21 december over niet besproken onderwerpen plenair debat; Kamerstukken I 2010/11, 32504, 32505 en 32401, nr. G., V-N 2010/67.7.
Geef een reactie