AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag wanneer dividendbelasting verschuldigd is bij de inkoop van aandelen tegen contanten en een recht op toekomstige betalingen. De ruling concludeert dat belasting verschuldigd is op het moment dat de uitkeringen plaatsvinden en deze het gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal overtreffen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Kennisgroep
Dividendbelasting
VERTROUWELIJK
Datum: 6 juli 2021
Versienummer: Helpdeskvraag DIV 020 024 0015
Referentienummer: DIV 020 024 0015
Auteur: 2e
**Dividendbelasting: vergoeding inkoop van aandelen tegen onzekere toekomstige betalingen**
**Vraag**
Op welk moment en waarover is dividendbelasting verschuldigd indien de inkoop van aandelen plaatsvindt tegen contanten en een recht op toekomstige betalingen waarvan de omvang nog niet vaststaat?
**Antwoord**
Indien de inkoop van aandelen plaatsvindt tegen contanten en een recht op toekomstige betalingen waarvan de omvang nog niet vaststaat, is over de betaling in contanten dividendbelasting verschuldigd indien en voor zover de betaling het gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal overtreft. Voor wat betreft de tegenprestatie in de vorm van een recht op toekomstige betalingen waarvan de omvang nog niet vaststaat, geldt dat op het moment van het afspreken van het recht nog geen opbrengst ter beschikking is gesteld. Pas op het moment dat uitkeringen plaatsvinden op het recht, wordt de opbrengst van de inkoop ter beschikking gesteld en is dividendbelasting verschuldigd indien en voor zover die betalingen het resterende gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal overtreffen. Naar de mening van de KG vindt de voldoening van dit deel van de inkoopprijs plaats op het moment dat de toekomstige uitkeringen plaatsvinden.
**Casus**
[GEANONIMISEERD]
Naast wat aflopende deelnemingen heeft BV nog recht op enkele earn [GEANONIMISEERD]. De investeerders hebben management BV ook een belang in [GEANONIMISEERD] aandelen van [GEANONIMISEERD] in te kopen en naast de inkoopprijs aan deze investeerders een nawalingsrecht van de naar rato toekomstige netto opbrengsten uit te reiken. De investeerders behouden op deze manier geen juridisch belang maar een economisch belang in BV. Op basis van het antwoord van de KG Aanmerkelijk Belang met nr 21 003 0007 heeft de vraagsteller geconcludeerd dat geen sprake is van een winstbewijs in de zin van artikel eerste lid onderdeel Wet DB.
**Beschouwing**
Bij een inkoop van aandelen wordt op grond van artikel eerste lid onderdeel Wet DB tot de opbrengst gerekend hetgeen wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. Artikel eerste lid Wet DB schrijft voor dat de belasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst. Inhouding vindt op grond van het derde lid plaats op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld. Indien de inkoop plaatsvindt tegen contanten en de toekenning van een recht op toekomstige betalingen, dienen beide tegenprestaties voor de inkoop afzonderlijk beoordeeld te worden. Voor het deel van de inkoopprijs dat in contanten wordt voldaan, is duidelijk dat dit op grond van artikel eerste lid onderdeel Wet DB tot de opbrengst behoort voor zover de betaling het gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal overtreft.
De vraag doet zich voor hoe het recht op toekomstige betalingen geduid moet worden en wanneer inhouding dient plaats te vinden. Op grond van artikel derde lid Wet DB wordt de belasting ingehouden op het tijdstip dat de opbrengst ter beschikking wordt gesteld. Naar het oordeel van de KG dient bij de vraag wanneer de opbrengst ter beschikking is gesteld te worden aangesloten bij BNB 1960 53 en BNB 2008 154. Uit deze arresten kan worden afgeleid dat pas als de aandeelhouder een onvoorwaardelijk recht op uitbetaling van het dividend heeft, er sprake is van ter beschikking stellen en dividendbelasting moet worden ingehouden (Kamerstuk 32 426 nr biz 41). In casu betekent dit dat indien de omvang van de toekomstige uitkeringen nog niet vaststaat op het moment van de inkoop, er met betrekking tot de uitreiking van het recht nog geen sprake is van een opbrengst die ter beschikking wordt gesteld. Pas op het moment van feitelijke uitkering is sprake van het ter beschikking stellen van een opbrengst voor zover hetgeen wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal uitgaat.
Geef een reactie