AI-samenvatting
De Belastingdienst overweegt naheffing en boete op een teruggaaf van omzetbelasting die ten onrechte is vastgesteld maar niet is uitbetaald, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude. De inspecteur kan de teruggaaf op basis van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) naheffen, aangezien de teruggaafbeschikking het recht op teruggaaf formaliseert, ongeacht of deze is uitbetaald. Tevens biedt de wet ruimte om gelijktijdig met de naheffingsaanslag een verzuim- of vergrijpboete op te leggen, omdat het niet uitbetalen van de teruggaaf geen invloed heeft op de mogelijkheid tot beboeten.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
De Belastingdienst overweegt naheffing en boete op een teruggaaf van omzetbelasting die ten onrechte is vastgesteld maar niet is uitbetaald, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude. De inspecteur kan de teruggaaf op basis van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) naheffen, aangezien de teruggaafbeschikking het recht op teruggaaf formaliseert, ongeacht of deze is uitbetaald. Tevens biedt de wet ruimte om gelijktijdig met de naheffingsaanslag een verzuim- of vergrijpboete op te leggen, omdat het niet uitbetalen van de teruggaaf geen invloed heeft op de mogelijkheid tot beboeten.
**Documenttitel: 1585116**
**Belastingdienst**
**MEMO**
**Onderwerp**
Mogelijkheid tot naheffen en beboeten van vastgestelde maar niet uitbetaalde teruggaaf
**Casus**
Belanghebbende is betrokken in een strafrechtelijk onderzoek naar omzetbelastingfraude. Hij wordt ervan verdacht te hoge teruggaven omzetbelasting te claimen onder gebruikmaking van onjuiste facturen. In het omzetbelastingsysteem is een blokkade ingebracht. In twee tijdvakken [GEANONIMISEERD] heeft de blokkade niet gewerkt en zijn door het computersysteem teruggaafbeschikkingen omzetbelasting van circa € [GEANONIMISEERD] vastgesteld en verzonden. De ontvanger heeft de terug te geven bedragen onderschept en onder zich gehouden. De inspecteur is voornemens de ten onrechte vastgestelde teruggaafbeschikkingen met een naheffingsaanslag te corrigeren.
**Vragen**
1. Is hier sprake van een ten onrechte verleende teruggaaf die op grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) nageheven kan worden?
2. Zo ja, bieden de delictsomschrijvingen van artikel 67c en artikel 67f van de AWR draagvlak om gelijktijdig met de naheffingsaanslag een verzuim- of vergrijpboete op te leggen?
**Antwoorden**
1. Ja, de teruggaafbeschikking formaliseert het recht op de teruggaaf. Het feit dat deze niet is uitbetaald staat aan naheffing niet in de weg.
2. Ja, ook voor de mogelijkheid tot het beboeten komt geen betekenis toe aan het feit dat de verleende teruggaaf niet is uitbetaald.
**Naam dienstonderdeel**
Kennisgroep Formeel Recht
Contactpersoon
5.1.28
5.1.2e
M 5.1.2e
5.1.2e
Dalum
5 maart 2021
Versienummer
20-206-0027
—
**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
De teruggaaf
Ingevolge artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) mag een ondernemer op de belasting, verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en diensten, in aftrek brengen de belasting ter zake van:
1) de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten, en
2) de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, en
3) invoer van voor hem bestemde goederen.
Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het verschil aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald (artikel 17 Wet OB). Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt in beginsel bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan (artikel 31, eerste lid, Wet OB). De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 31, achtste lid, Wet OB). De teruggaaf wordt derhalve geformaliseerd door de beschikking.
De ontvanger is vervolgens bevoegd op basis van de teruggaafbeschikking over te gaan tot uitbetaling dan wel verrekening met van de belastingschuldige te innen bedragen. De uitbetaling dient binnen zes weken na dagtekening van de teruggaafbeschikking te geschieden (zie artikel 9, eerste lid, Invorderingswet 1990). Na deze zes weken heeft de belastingplichtige een opeisbare vordering op de ontvanger.
De naheffing
Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen (artikel 20, eerste lid, eerste volzin, AWR). Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt onder meer gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf van belasting is verleend (artikel 20, eerste lid, tweede volzin, AWR).
De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie op verzoek een teruggaaf is verleend (artikel 20, tweede lid, AWR). Nu de teruggaaf is geformaliseerd middels de teruggaafbeschikking dient herstel plaats te vinden door naheffing. Het feit dat de teruggaaf niet daadwerkelijk is uitbetaald of verrekend doet hier niet aan af.
De bestuurlijke boete
Ten aanzien van aangiftebelastingen richten de bestuurlijke boetebepalingen zich primair op de betaling. Zowel de verzuimvariant (artikel 67c, eerste lid, AWR) als de vergrijpvariant (artikel 67f, eerste lid, AWR) kent hiervoor als objectief delictsbestanddeel het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de belastingwet gestelde termijn, betalen van belasting.
Doordat in beide varianten artikel 20, eerste lid, tweede volzin, van de AWR van overeenkomstige toepassing wordt verklaard (zie artikel 67c, vierde lid en artikel 67f, zesde lid, AWR) valt (onder andere) ook de naar aanleiding van een gedaan verzoek ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende teruggaaf van belasting onder de reikwijdte van deze boetebepalingen.
Blijkens de wetshistorie heeft de wetgever hierbij geen verschil in reikwijdte willen aanbrengen in de mogelijkheid tot naheffen en de mogelijkheid tot het beboeten van de naheffing.
Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 47:
“De in dit lid (de wetgever doelt hier op artikel 67f, eerste lid, AWR, kennisgroep formeel recht) bedoelde boete geldt mede voor alle andere situaties waarin naheffing mogelijk is. De boetebepaling geldt ook voor allen jegens wie naheffing kan plaatsvinden. Dit volgt uit de verwijzing die in het zesde lid is opgenomen naar artikel 20, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin.”
Aanvankelijk was deze verwijzingsbepaling (per 1 januari 1998) alleen opgenomen voor de vergrijpvariant. De wetgever heeft dit gerepareerd per 1 januari 2008 (zie Stb. 2007, 376).
Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 21:
“Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend. Daardoor kan in dergelijke gevallen naheffing van belasting plaatsvinden. Indien sprake is van grove schuld of opzet kan, op grond van een verwijzing naar deze bepaling in artikel 67f, zesde lid, van de AWR, een zogenoemde vergrijpboete worden opgelegd.
Hoewel de artikelen 67c en 67f AWR, die de mogelijkheid van het opleggen van een verzuimboete respectievelijk een vergrijpboete regelen, naar hun strekking gelijk zijn, te weten het aanmoedigen van een tijdige en juiste betaling, ontbreekt in artikel 67c AWR de mogelijkheid om een zogenoemde verzuimboete op te leggen voor een dergelijk geval (waarbij geen sprake is van grove schuld of opzet). Het gevolg hiervan is dat dit leidt tot een ongelijke behandeling van formeel ongelijke doch materieel gelijke situaties.
Door ook in artikel 67c AWR een verwijzing op te nemen naar artikel 20, eerste lid, tweede volzin, wordt dit mogelijk gemaakt.”
Gezien deze toelichting heeft de wetgever nadrukkelijk geen verschil in reikwijdte gewenst tussen de eerdere vergrijpvariant en de latere verzuimvariant.
Samenvattend kan worden geoordeeld dat ook voor de mogelijkheid tot het beboeten van de naheffing geen betekenis toekomt aan het feit dat de verleende teruggaaf niet is uitbetaald.
Geef een reactie