1572286

AI-samenvatting

De inspecteur kan een belastingplichtige die verzoekt om uitreiking van een aangifte niet weigeren om uit te nodigen tot het doen van aangifte, tenzij de termijn voor het opleggen van een aanslag is verstreken. Artikel 6, lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht de inspecteur om een belastingplichtige die daarom verzoekt, in elk geval uit te nodigen. De termijn voor het opleggen van een primitieve aanslag bedraagt drie jaar en voor een navorderingsaanslag vijf jaar. Het standpunt van de inspecteur dat een verzoek om uitreiking van aangifte niet binnen de termijn van twee weken na het verstrijken van de uitnodiging kan worden gedaan, is niet van toepassing op deze situatie.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1572286**

**Memo Weigering uitnodiging tot doen van aangifte indien belastingplichtige om uitreiking aangifte verzoekt**
Van Kennisgroep Formeel recht
Datum 6 november 2012
Kenmerk 12-206-0020
Kopieën aan 5.1 2e

**Vraag**
Kan de inspecteur een belastingplichtige die verzoekt om uitreiking van een aangifte weigeren uit te nodigen tot het doen van aangifte?

**Antwoord**
Nee, tenzij de termijn voor het opleggen van een aanslag verstreken is.

**Beschouwing**
**Casus**
[GEANONIMISEERD]
[GEANONIMISEERD]

Kortom: de inspecteur weigert om een belastingplichtige die daarom verzoekt uit te nodigen tot het doen van aangifte omdat niet binnen de in artikel 2, lid 4 van de Uitvoeringsregeling AWR gestelde termijn is verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.

De adviseur doet een beroep op artikel 6, lid 2 van de AWR:
“Degene die een daartoe strekkend verzoek bij de inspecteur indient, wordt in elk geval uitgenodigd tot het doen van aangifte.”

**Wettelijke bepalingen**
Artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt:
1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, dan wel op aangifte worden voldaan of afgedragen, kan de inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte. Worden door de belastingwet aangelegenheden van een derde aangemerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, dan kan de inspecteur ook die derde uitnodigen tot het doen van aangifte. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt.
2. Degene die een daartoe strekkend verzoek bij de inspecteur indient, wordt in elk geval uitgenodigd tot het doen van aangifte.
3. Bij ministeriële regeling kan degene, die in de daarbij omschreven omstandigheden verkeert, worden verplicht om binnen een te stellen termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling AWR luidt:
1. Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, is de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
(. –.)
Het verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde tijdvakken.
(.–)
Het eerste lid is niet van toepassing, indien over het tijdvak waarover de belasting wordt geheven reeds een aanslag is opgelegd, dan wel redelijkerwijs moet worden aangenomen dat over dat tijdvak, na verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is of geen aanslag zal worden opgelegd.

Artikel 6, eerste lid van de AWR bepaalt dat zowel voor aanslagbelastingen als voor aangiftebelastingen geldt dat de inspecteur degene, die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtige of inhoudingsplichtige is, kan uitnodigen tot het doen van aangifte. Het initiatief voor het uitnodigen voor het doen van aangifte gaat dus in eerste instantie uit van de inspecteur.

Vervolgens wordt in artikel 6, het tweede en derde lid van de AWR beschreven in welke gevallen het initiatief niet bij die inspecteur maar bij belanghebbende ligt.
In artikel 6, tweede lid van de AWR is bepaald dat de inspecteur degene die een daartoe strekkend verzoek doet, in ieder geval uitnodigt tot het doen van aangifte.
Het derde lid van artikel 6 van de AWR geeft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling degene die daarvoor in aanmerking komt te verplichten om binnen een te stellen termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. In artikel 2 van de Uitvoeringsregeling AWR is dit verder uitgewerkt.

**Overwegingen**
Artikel 6 van de AWR is sinds de inwerkingtreding van de AWR niet of nauwelijks gewijzigd. Op het tweede lid wordt in de Memorie van Toelichting niet ingegaan. Samengevat kan artikel 6 van de AWR in drie opties worden opgesplitst:
1. initiatief bij inspecteur (lid 1);
2. initiatief bij belastingplichtige (lid 2);
3. verplichting bij belastingplichtige (lid 3).

In deze casus is onderdeel 2 van belang.
**Initiatief bij belastingplichtige (lid 2)**
Degene die geen uitnodiging tot het doen van aangifte heeft ontvangen en ook niet verplicht is de inspecteur te verzoeken om hem uit te nodigen om aangifte te doen, is altijd bevoegd uit zichzelf te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte. De inspecteur is verplicht aan een dergelijk verzoek gehoor te geven.

Het door de inspecteur in de casus ingenomen standpunt verwijst naar artikel 2, lid 4 van de uitvoeringsregeling AWR (termijn van 2 weken). Dit geldt niet voor optie 2 maar voor optie 3 (het verplichte verzoek om uitreiking aangifte).

Het antwoord ‘nee’ wordt ingegeven door het feit dat in artikel 6, lid 2 van de AWR wordt voorgeschreven dat in elk geval door de inspecteur een uitnodiging tot het doen van aangifte moet worden gedaan indien belastingplichtige daarom verzoekt. Anderzijds duidt de aanvulling ‘tenzij’ op de realiteitszin van het nog kunnen vaststellen van een aanslag. Deze termijn is voor het opleggen van een primitieve aanslag beperkt tot drie jaar en voor een navorderingsaanslag beperkt tot een termijn van vijf jaar.

Gezien het bovenstaande wordt de zinsnede “in elk geval” in het tweede lid van artikel 6 van de AWR beperkt door de logica dat het niet zinvol is om een uitnodiging tot het doen van aangifte te laten uitgaan als de mogelijkheid om een aanslag op te leggen inmiddels verstreken is.

**Conclusie**
Gemachtigde doet in deze casus een verzoek zoals bedoeld in artikel 6 lid 2 AWR. Belanghebbende dient in elk geval voor die jaren waarover nog een aanslag opgelegd kan worden, uitgenodigd te worden tot het doen van aangifte.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *